Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SUIKERMONDJE, z. uw., o.. — In de spr. : Een suikermondje hebben , geerne suiker eten.

SUIKERNIJPEH , z. nw., m.. = IJzeren of zilveren werktuig , nijper, dienende om het kandijssuiker in stukken te doen.

SUIKERNONKEL, z. nw., m . = Suikeroom, rijke erfoom D.

SUIKERPEE, z. nw., vr.. = Zoete roode wortel. C. De suikerpeeën worden gezocht om te eten.

SUIKERSTEK, z. nw., m.. = Lange stok gemaakt van suiker, snoeperij.

SUIKERTANT. z. nw., vr.. = Moei van wie men erven zal. D.

SUKKE, z. nw., vr.. = Sukkel, sukkelaarster. De oude Mie wordt oprecht een sukke.

SUKKEL, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Wij zeggen op niet aan den sukkel zijn. S.

SUKKELAS, z'. nw., vr.. = Sukkelaarster, sukkel.

SUKKELEER (zware «), z. nw., m.. = Sukkelaar. C.

— = Blok waar de twee samenkomende vleugels van een hek op rusten.

SUKKELJAREN, z. nw., o., meerv.. — Z. Dooljare?i. D.

SUKKELSTRAAT, z. nw., vr.. — In de spr. : In de sukkelstraat zijn, langdurig sukkelen.

Bij C. sukkelstraatje.

SUKKELTEST, z. nw., vr.. = Vrouw die sukkelt.

SUL, z. nw.. o. enm.. = (Kruidk.) Zuring, verscheidenheden van rumex, fam. Polygon .

Ook surgel, surkel.

SULLEN, werkw., overg.. = (Boer) Zeer lichtjes ploegen. De haver wordt gesuld.

SURGEL, z. nw., o. en m.. —Z. Sul.

SURKEL, z. nw., o. en m.. — Z. Sul. S. R. K. oxalis. O.

Gewest, bij V .

SUTTEREN. werkw., onov. (hebben). — Z. Seuteren.

Bij D. en S. : peuteren , frutswerk verrichten.

SUZOEK, z. nw., o.. — Z. Lieze.

SWEENST, bijw.. — Z. Swenst.

SWEENT. bijw.. — Z. Swenst.

SWEE(R)S(zware e), bijw.. — Z. Dweers. De kogel vloog sweers deur mijnen hoed.

SWEERSDEUR, bijw.. — Z. Dweersdeur.

SWENST. bijw.. = Ondertusschen. C. Leest gij , ik zal swenst mijnen brief schrijven.

— Swenst dat, terwijl. C. Hij was bezig met te lachen, swenst dat ik sprak.

Ook swents en swentst.

SWENTS, bijw.. — Z. Swenst. S.

SWENTST, bijw.. — Z. Swenst.

Sluiten