Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOESLUIZEN, werkw., onov. (zijn). — Verstoppen. De riool is toegesluisd.

TOESMEREN (zware e), werkw., overg.. = Toewerpen, toegooien, toesmijten. Hij was zoo kwaad dat hij er van doortrok en de deur geweldig achter hem toesmeerde.

TOESNABBEN, werkw., overg.. = Toesnauwen. C. Ik verhuis, snabde hij mij toe.

TOESNEEUWEN, werkw., onov. (zijn). — Door sneeuwen gevuld worden. C. S. T. De grachten zijn toegesneeuwd , ge zoudt ef in loopen zonder het te weten.

TOESNOKKEN, werkw., overg.. = Meteenen ruk sluiten. D. S. Een strop toesnokken.

TOESPELEN, werkw., onov. (hebben en zijn). — (Bolspel) Zoo spelen dat men met de bol de vereischte plaats bereikt. D.

TOESPETEN, werkw., overg.. = Toespelden. C Nen handdoek toespeten.

TOESPETTEN, werkw., overg.. - - (Boer) Al spittende vullen. Nen gaper toespetten.

TOESPINNEN, werkw , onov. tzijti). = Vol zwarte wolken komen , van de lucht. Als de lucht toespint, regent het dikwijis lang.

Ook toezwemmen.

TOESTEKEN, werkw., overg.. —Z. Wdb..

— Een handje toesteken, eenige hulp verleenen. S.

TOESTRIJKER, z. nw., m.. = (Mets.) Voegijzer.

Ook voeger.

TOESTROPPEN, werkw., overg.. = In plooien toeschuiven op eenen draad of op een riemken. C. D. S. R. Als ge dien knoop wat beter toestropt, zal hij niet meer losgaan.

— tusschenv. (:ijn). = Sluiten met een strop of eene schuifkoord. C. Die zak stropt moeilijk toe.

TOET. = Het doet. Z. Doen. Dat hebde niet gezeid. — 't Doet, 't doet.

TOETEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Hij en weet van toeten of blazen , weet volstrekt niets.

TOETER, z. nw., m.. - Hoogte, eenigszins spits toeloopende verhevenheid. Over tachtig jaar droegen de vrouwen hun haar met eenen toeter.

— = Darm , mondstuksken of tipken en beentje van de toeterflesch.

Bij C. teute/ en tutter.

TOETEREN, werkw., onov. (hebben). == Een hol gerucht voortbrengen, herhaaldelijk toeten. C. De kleine kreeg met kermis een trompet en liep al toeterende rond het huis.

— = Drinken, buizen. In plaats van te werken heeft hij heel den Maandag getoeterd.

— - Melk zuigen uit eene toeterflesch. De kleine kinderen toeteren.

Bij C. teut er en en tutter en.

TOETERFLESCH, z. nw., vr.. = Zuigflesch voor kinderen. C.

Bij C. teuterjiesch en tutterflesch.

TOETERKIND, z. nw., o.. — Kind dat toetert, melk uit de flesch zuigt.

TOETERMUTS, z. nw., vr.. = Vrouwmuts die gelijk een soort van toren op het achterhoofd maakte. De toetermuts is al lang uit de wereld.

TOETSEN, werkw., onov. (hebben). = Raken. O. Er mag aan u niemand toetsen of ge roept moord en brand.

— — Spreken , melding maken. Ge moogt er geen letter van toetsen.

TOETSSTEEN, z. nw., m.. — Iemand op den toetssteen leggen, iemand beproeven.

TOEVAL, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. C.

TOEVIJZEN, werkw., overg.. = Dichtschroeven. C. D. S.

TOEVLUCHT, z. nw., m.. (niet vr.) — Z. Wdb.. C. T. R.

TOEWIJTEN. werkw., overg.. = Toeschrijven. S. Waaraan is het toe te wijten dat het zoolang regent ?

TOE WILLEN, werkw., onov. (hebben). = Kunnen gesloten worden. De deur wilt niet toe , daar ligt een nagel onder.

TOEWOELEN, werkw,, overg.. — Z. Toehoelen. De koorde moet vast toegewoeld worden , anders zal het hooi afzakken.

TOEZEGGEN. werkw., overg,. — Met zekerheid beloven. C. Mij beloven is niet genoeg, ge moet het mij toezeggen.

TOEZOETELEN, werkw,, overg.. = Uit goedheid geven. Een ongelukkig kind wat fijne beetjes toezoetelen.

TOEZWEMMEN, werkw., onov. (zijn). — Z. Toespinnen.

TOGEN, werkw., overg.. = (Schipp.) Met eenen kleinen boot voorttrekken en richten. C. K. trahere. Een zeilschip togen.

Togen heeft bijna dezelfde beteekenis als slepen ; gewoonlijk zegt men het eerste, sprekende van eenen kleinen boot, het tweede, van eenen sleepboot.

Gewest., veroud. bij V..

— onov. (hebben). = Met een sleepnet visscheu.

TOGER. z. nw., m.. = Sleepnet. S.

TOMBOLA, z. nw., m. (niet vr.). —Z. Wdb.. C.

TOMME, TOMME TOCH. — Lage uitroep.

Sluiten