Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREZE. z. nw., vr.. — Z. Trees.

TRIANGEL, z. nw., m.. — Z. Inlooptr. — = Moeilijkheid, last, in de spr. : 't Heeft triangels aan.

TRIBEL. bijw.. — In de spr. ; Iets dobbel en tribei (ook tripel) betalen, veel te duur. S.

TRIBUNAAL, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. C. T.

Bij R. m. en o..

TRICOT, z. nw., m. (niet o.). •— Z. Wdb..

TRIEK, z. nw., m.. = Trek, list, looze streek. Een vos kan dikwijls looze trieken gebruiken.

TRIEMEN, werkw., overg.. = (Schipp.) Bij het vuur brengen. Kolen triemen. Op groote stoombooten worden de kolen met kruiwagens getriemd.

Bij C. trimmen.

TRIEMER, z. nw., m.. — Z. Kooltriemer.

Bij C. trimmer.

TRIEN, TRIENE. z. nw., vr.. — Catharina verkort. C.

— Spotnaam, meisken dat weinig goeds verricht, snulachtig vrouwmensch. T. R. Onnoozele Triene!

TRIEP, z. nw., vr.. = Worst, saucisse. D. S. K intestinum. Gaat bij den beenhouwer om 'nen meter triepen.

TRIESTIG , bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb.. Hij ziet er triestig uit. 't Is hier maar een triestig leven.

TRIETEN, werkw., onov. (hebben). — Weenen ; verdriet hebben. Die jongen had in zijn hand gesneden en trieten dat hij deed. Die man zal nog veel trieten, eer hij tachtig jaar is.

TRIETS, z. nw., m.. = Suikerij. Daar is te veel triets op den kaffee.

TRIJPELEN , werkw.. overg.. —Z. Trepelen.

TRIJZEL, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb.. C. Spr. : Met zijn wezen in den trijzel gevallen hebben, pokdalig zijn.

— — (Boer) Houten gestel dat afhelt waarmee men de aardappels in den kelder doet rollen. De aarde valt tusschen de kleine plankskens door.

TRIJZELING.z. nw., m.. = Kleine uitgebrande kool. De zendels zijn grooter dan de trijzelingen.

TRIK, z. nw., m.. = (Dijkw.) Kleine wagon waar men grond mee vervoert, tric.

TRIMESTER, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. C. R.

TRIO, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb..

TRIPEL, bijv. nw.. — Z. Tribel.

TRIPPELEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb.. Spr. : Trippelen en trappelen.

TRIPTRAP, bijw . = Met zeer kleine stapkens, zachtjes. Triptrap gaan.

TRITS, z. nw., m.. = (Tritsspel) Drij gelijke getallen. V..

TRITSBAK, z. nw., m.. = Houten bak waar men in tritst.

TRITSBARD, z. nw., o.. = Bord waar men op tritst. S.

TRITSELEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Treutelen.

TRITSELPOT, z. nw., m.. — Z. Treutelpot.

TRITSELWERK , z. nw., o.. — Z Treutelwerk.

TRITSEN, werkw., onov. (hebben). = Met de teerlingen spelen. V. S. Wij zullen wat tritsen om onzen avond over te brengen.

TROEBEL, bijv. nw. en bijw.. — Z. Wdb..

Spr. : In troebel water is't goed visschen.

TROEF, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb..

Daarmee maken wij troef heer (V), troef wijf of troefvrouw (V), troefzot, troeftien (V), enz..

Spr. : Armoe is daar troef, 't is er altijd armoede.

— = Slagen. C Troef geven. Troef krijgen.

— = Lust, moed. C. S. Sedert zijn ziekte is al de troef uit dien plezierigen jongen.

TROEFEL, z. nw., vr. en m.. = Eivormige uit-

geronde schop met krommen steel. C. S. K. troefel. j. truffel = batillum.

_ __ ijzeren deel eener schop die uitgerond en eivormig is.

TROEFELSCHUP, z. nw., vr.. — Z. Troefel.

TROEFELSTEEL. z. nw., m.. = Gebogen steel zoodanig gekromd dat hij voor eene troefel zou dienen kunnen.

TROEP, z. nw., m.. — Z. Wdb.. Een troep soldaten.

— = Leger. Hij is onder den troep.

TROETEBADOE, TROETEN, z. nw., m.. = Sul, bloed , onnoozele.

Bij C. trutten; bij T. en R. troet.

TROG, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Smaakt naar den trog om nog , 't is zeer smakelijk.

TROGKRABBER, TROGKRAU.WE R, z. nw., m.. — Z. Afkrabber.

TROGSPA(DE), z. nw., vr.. = (Bakk.) Spadeken waar men deeg mede in den trog verlegt.

TROK , z. nw., m.. = Tocht, courant d'air. C. D. Ik heb, met in den trok te zitten , een valling opgedaan.

— Jacht van de lucht in een schouw, in een vuur,

enz.. D. Er is veel trok in de schouw.

Sluiten