Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UIL, z. nw., m.. — Z. Wdb.. Veel uilen zitten op de torens. Die jongen is dom , 't is waarlijk een uil.

Spr. : Zoo dom als een uil. In 't jaar éen als ie uilen preeken, nooit. Een uilhen vangen, een slaapken doen. De uil van 't spel zijn, de duts van 't gezelschap. Kijken gelijk een uil op 'nen kluit, dwaas.

— Spotnaam, domoor.

UILE N KEI. z, nw , m.. = Drijkantige kei, op de voorzijde donkervaal en grijs dooreen.

UILEiN)KIEKEN, z. nw., o.. - Spotnaam, domoor.

UIT. voorz. en bijw.. — Z. Wdb.. De lamp, het vuur is uit. De school zal gaan uit zijn. De mis was uit. Mijnheer is uit. Op iets uit zijn.

— Iets uit der hand verkoopen. Z Hand. R.

— 't Is er mede uit, 't is gedaan , 't is op. 't Is uit met de appelen : zij zijn op.

Uit zijn, i° geëindigd zijn , V. ; 2" het spel winnen. C. Als ge niets kunt toonen, ben ik zeker uit.

— Er uit zijn, i° in de krijgsloting een goed nummer getrokken hebben, C. D. S. ; 2° uit de moeilijkheden gered zijn, D. S. ; — nu mijn zeun zijn stiel kent, ben ik er uit.

— In en uit gaan, vliegen. loopen, enz., vrijelijk ergens in en uit gaan, enz.. C. D. Hij gaat bij ons in en uit alsof hij iemand van den huize ware.

— In en uit klappen. Z. In. C. D. S.

— 't Is amen en uit. Z. Amen.

— In zeer veel samengest. werkw. geeft uit te kennen dat de daad , door het enkele werkw. uitgedrukt,

niet kan voortgezet worden, gewoonlijk bij gebrek aan stof of aan voorwerp.

Eenige voorb. : Ik ben uitgedeeld, uitgeklaagd, uitgeklapt, uitgegeven, uitgeslapen, uitverteld, uitgezongen, uitverkocht, uitgepreekt. Die boom is uitgegroeid. Die roos is uitgeblomd. Ons kiekens zijn uitgeleed.

In 't algemeen komen zij maar voor in 't verleden deelwoord met zijn.

Eenige worden ook wederkeerig gebruikt. Het weer regent hem uit Ik ga mij niet uitverkoopen.

Sommige samenstell. met uit, de spelen aangaande , worden wederk. gebezigd en beteekenen: zoo spelen dat men het spel wint. U uitbotten, uitschieten, uittoonen, uitspelen, enz..

UITBABBELEN, werkw., overg.. = Voortvertellen. C. S. Hij zal weer al wat hij gehoord heeft, in de gebuurte gaan uitbabbelen.

onov. (zijn). = Ten einde babbelen. C. S. Zijt gij

nu uitgebabbeld ?

UITBAKELEN, werkw., overg.. •= (Dijkw.) Uitmeten en bakens plaatsen. Een plek grond uitbakelen.

UITBAKKEN. werkw.. onov. (zijn). = Onder 't bakken zijn vocht verliezen en hard en droog worden. C. S. De bakker laat zijn brood te veel uitbakken.

UITBEETELEN , werkw., overg.. = Uitbeitelen.

UITBEKKEN. werkw., overg.. = Puntig, hoekig snijden of naaien, wordt meest gezeid van den boord der kleeren. C. Nen rok uitbekken.

Sluiten