Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UITSTAANS. — Uitstaans lubben met iemand, betrekking, gemeenschap hebben. C. Ik heb met dien kerel nooit uitstaans gehad.

— Met iemand of met iets uits'aans hebben, zich met iets te bemoeien hebben. Ja, ik ga ik trouwen , gelijk gij zegt ; maar gij hebt gij daar geen uitstaans mee !

UITSTEK, z. nw., m. (niet o.). = (Steenbakk.) Uitschot, bucht, afval, slecht gebakken steen, slecht gemaakte steen. S.

Gewest, bij V..

UITSTEKEN, werkw.. overg.. — Z. Wdb..

Spr : Iemand de oogen uitsteken, verblinden , verleiden door schijn van goud , geleerdheid, enz.. De beenen uitsteken , sterven. Geen hand naar iets uitsteken , niets doen.

— (Kuiper) De duigen uitsteken, van binnen haltrond snijden. Dat gebeurt met het holmes. Z. d. woord.

— = (Schipp.) Wegnemen. V.. Het rif uitsteken.

—-= (Schoenmak.) Het uitstekende leder of de uitstekende bies wegnemen. Een zool uitsteken.

— (Wev.) Draden uitsteken. draden een voor een aangeven om ze aan te draaien.

— = Uitdelven met riek, spade , enz.. C, Patatten uitsteken.

— = Afwijzen in het spel. Ge moet met ons niet komen spelen , want wij zullen u uitsteken.

— = Uitrichten , verrichten , in eenigszins slechten zin. C. D. S. Poetsen uitsteken. Dommigheden uitsteken.

— = In de begrooting brengen. De gemeenteraad heeft verscheiden duzenden frank uitgesteken om een school te bouwen.

— onov. (hebban). — Z. Afsteken.

— = Naar buiten steken of hangen. Die dorpel steekt te veel uit, hij moest smaller zijn.

— = Uitzondering maken. C. D. Als ge uw vlag niet uitsteekt, zult gij uitsteken, want al de geburen zullen 't doen.

Bij V. : uitmunten.

Uitsteken , in het pieren , zoo pieren dat men half rechtstaat en de hand een eind vooruitsteekt om de bol te doen loopen. Ge zult moeten uitsteken, want al die houten liggen in uwen weg.

UITSTEKER, z. nw , m.. = (Wev.) Jongen die uitsteekt, die de draden aangeeft.

— — (Mandenmak.) Mes dat dient om de eindjes wijm die wat buiten het werk komen, af te steken. Het wordt gebruikt, als men de manden afkuischt

— Z Randsteker.

UITSTEL. z nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. C. R.

Spr. : Uitstel is geen kwijtschei,

UITSTELLEN, werkw., overg.. = Ten toon stelien, uitstallen C. D Het H. Sacrament uitstellen. De winkeliers stellen hun waren uit, als het markt is.

— Iemand uitstellen . maar later tot zeker werk toelaten. C. Onze Frans is een jaar uitgesteld veur zijn eerste communie.

UITSTIETEN, werkw., overg.. = Uitsmijten, in ongunstigen zin. Nen vloek uitstieten.

UITSTOU WE'lN, werkw., overg.. = Uit het kot stouwen , naar de wei stouwen. C. 't Is maar pas vijf uren of ze stouwen de koeien al uit.

UITSTRIJKEN , werkw., overg.. — Z. Oprijden.

— Nen borstel uitstrijken , al de verf die in den borstel is , uitwrijven.

UITSTROOPEN. werkw., overg.. — (Boer) De onderroren uitstroopen , den laatsten keer met den ploeg door de ondervoren rijden, die de gewinden scheiden.

— wederk.. = Zijn kleederen uitdoen als men nat is.

UITSTRUIKEN, werkw., onov. (zijn). = Op den wortel uitschieten; struik worden. C. S. De haver begint al uit te struiken.

UITSTUIKEN, werkw., onov. (zijn). = Naar buiten vallen. S. Hij is de zoldervenster uitgestuikt.

UITSUKKELEN, werkw., onov. (zijn). — Sukkelende uitgaan. C. Ze is met moeite de kerk uitgesukkeld.

UITTAKKEN, werkw., onov. (zijn). — Zijne takken uitspreiden. S. Die boom is dees jaarschoon uitgetakt.

UITTEENEN, werkw., overg.. = (Blokmak.) Met het teenmes uitsnijden. De blokken worden uitgeteend , als ze geschrooid zijn.

UITTENDUVELKOTE , bijw.. = Zeer, bijzonder. Dat kleed is uittenduvelkote schoon.

UITTIPPEN , werkw., overg.. — (Boer) Land tultippen, op eenentip uitspitten of uitploegen.

UITTJOEPEN, werkw., overg.. — Z. Uitsoepen.

UITTOETEREN. werkw., overg.. = Uitdrinken. S.

UITTOONEN , werkw., onov. (zijn). = Zooveel toonen , in het jassen ,. dat men het spel wint. Als ik nog honderd krij^ , ben ik uitgetoond.

— Ook wederk.. Wij gaan ons uittoonen.

UITTREKKEN, werkw., overg.. = Uitschilderen, photographier. C D. S. T. R. Geheel de jongensschool is gisteren uitgetrokken.

— = (Schertsende) Kwaadspreken. Ge zijt bezig , dunkt mij, met uwen gebuur uit te trekken.

— (Blekk ) De wijmen uittrekken , ze met pakken uit den grond trekken. De wijmen zijn dan wat geschoten en moeten afgeslagen of van de aanklevende aarde gereinigd worden.

Sluiten