Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERBANGEREERD, bijv. nw„ = Verbouwereerd , onthutst.

VERBASTERDEEREN (zachte e), werkw., onov. (zijn). = Verbasteren, ontaarden. C. De kooien verbasterdeeren licht in twee bijeen liggende hoven.

VERBEE(DE)N, werkw., overg.. = Verbieden.

VERBEESTEN, werkw., overg.. = In buitensporigheden verkwisten. D. S. Zijn geld, heel zijn fortuin verbeesten.

— = Bederven , gansch verbrodden. D. S. Met deur den regen te gaan , zijn mijn beste kleeren heel en gansch verbeest.

VERBEI(DE)N, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Het eene ongeluk verbeidt het andere niet.

VERBEKKEN, werkw., overg.. = Pikken met den bek. De haan verbekt altijd dat kieken.

— = Verstooten, mishandelen. Zij wordt door heur stiefmoeder verbekt.

VERBETEREN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Zwijgen kan niet verbeterd worden.

VERBETERINGSHUXS, z. nw, o.. = Gesticht waar ongewillige of bedorven jongens en meisjes tot hun 21 jaar, van staatswege, opgehouden worden.

VERBEZEN, werkw., overg.. = Al bezigende verbruiken. Wij hebben al ons borstels verbeesd.

VERBIE. — (In de kinderspelen) Tusschenwerpsel dat vóór sommige uitroepen in het marmelspel komt en beteekent dat dit verboden is wat men in den uitroep zegt. Als antwoord op eenen uitroep van eenen speler, wordt het soms alleen gebruikt en dan is de uitroep er onderverstaan. Hoogtjes — Verbie (hoogtjes). Ik heb verbie (hoogtjes).

— Verbie lochtop, geen lochtup te doen.

— Verbie allekens, geen allekens weg te ruimen.

— Verbie hoogtjes, de hand niet op te heffen.

— Verbie fuksens, niet te fuksen.

Verbie botvoorders, niet te voorderen.

— Verbie de baan rechtdeur, de baan niet te doen.

— Verbie opschietens , mis te schieten. (Scherts.)

VERBIE'DEJN , werkw., wederk.. — (Bij de kinderen) In de spelen gebruikt waar ze malkaar in vangen moeten. Is er een speler die nog niet gevangen is, te moe en wenscht hij wat te rusten , dan roept hij : ik verbie mij ; nu mag hij gerust blijven staan, want niemand mag hem pakken. Ik verbie mij beteekent dus : ik verbied u mij te vangen.

VERBIJ, bijw.. = Voorbij.

VERBI JBABBELEN, VERBIJKLAPPEN, werkw., overg.. — Zijn eigen of zijnen neus verbijbabbelen, veel meer zeggen dan noodig of slim is.

VERBIJBIEZELEN , werkw., onov. (hebben en zijn). = Voorbijloopen , gezeid meest van koeien. De koeien kwamen hier verbijgebiezeld, zonder dat er iemand bij was.

VERBI JLEN, werkw., overg.. = (Blokmak.) Eenen blok hout de hoeken afkappen en van lengte maken om er eenen klomp uit te maken. C. Na 1 klieven komt het verbijlen.

VERBIJSLOEFEN. werkw., onov. (zijn). = Al sloffende voorbijgaan.

VERBIJTEN, werkw., overg.. = Al bijtende verdrijven. R. Kr. admordere. 't Een verken verbijt het andere.

— = Kort, bot, snauwend antwoorden. Hoe kunnen die kinderen u geerne zien ? gij verbijt ze gedurig.

— = Verstooten, versukkelen. R. gebrekkige kinderen worden dikwijls verbeten

VERBITTEREN, werkw., overg . - Z. Wdb..

— tusschenv.. = Meer bitter worden. K. inamarescere. Dat bier verbittert, volgens dat het langer ligt.

VERBLAKKEN, VERBLAKKEREN. werkw., onov. (zijn). = Klaarder worden, meer zichtbaar worden. De zon begint te verblakken.

VERBLANZEN, werkw., overg.. — Door blanzen verliezen. Als het spel uit was, had ik spijt dat ik al mijn geld verblansd had.

VERBLAREN, werkw., overg.. = (Boer) Een ander blad opzetten , van zwingels gezeid. Nen zwingel verblaren.

VERBLAU(WEiN , werkw., overg.. = Blauwer maken. Ge moet die tint wat verblauwen om beter op 't rood af te steken.

— tusschenv.. = Blauwer worden. D.

VERBLEEKEN, werkw., overg.. = Bleeker maken. Ga moet die verf wat verbleeken, want zij is nu te donker.

VERBLIJD . bijv. nw.. — Verblijd zijn, een weinig dronken zijn. D.

VERBLIJVEN, werkw., onov. (zijn). — (Bij verkoopingen) Toegeslagen worden, e'tre adjuge. D. 't Was vandaag de derde zitdag en 't huis is mij verbleven.

VERBLOMME, tusschenw.. — Verbasterde vloek, gelijk verdomme, verdorie, enz..

VERBOD, z.-nw., o.. = (Loodgieter en leidekker) Verhooging in lood of zink, geplaatst op den neus of kant van kornissen en goten die verkeerd afwateren. Een verbod op een goot zetten.

— =(Smid) Deel van een stuk ijzer dat veel dikker is dan het overige.

VERBOEFEN. werkw., wederk.. — Z. Overboe/en. C. T. R.

Bij C. ook verbuffen.

Sluiten