Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERFRULLEN, werkw., overg.. = Tot frul maken, tot niets goeds maken, bederven. Die jongen heeft die kat geheel en gansch verfruld.

VERFUMPELEN, werkw., overg. = Verduiken. Een geheim verfumpelen.

Ook vermompelen.

VERGAAN, werkw., onov. (zijn). — Z. Wdb..

Spr. : Vergaan gelijk sneeuw reur de zon. Ge kunt niet vergaan als deur uw beenen, woordenspel.

VERGAARBLOK, z. nw., m.. =-(Stoeldr.) Zware blok hout met drij houten pinnen daarop , gebruikt om stoelen op te vergaren.

VERGAARPUT, z. nw., m.. — Z. Moosput.

Ook versterfput en vuilsput.

VERGAARSEL, z. nw., o.. = (Kleermak.) Naden waarmede de rug aan de voorsten der frak genaaid wordt.

VERGANGEN, werkw., overg.. — Z. Veurgangeren.

VERGARING. = Bijeenkomst. D.

— = (Timmerm.) Aansluiting en verbinding van verscheidene stukken tot een geheel, assemblage. V. D.

Ook vergering.

VERGELEN (zware e), werkw., overg.. = Geler maken. S. Wij zullen dat koleur wat vergelen, zoo zal 't beter uitkomen.

— tusschenv.. = Geler worden, Dunkt u niet dat het wezen van Jan alle dagen vergeelt ?

VERGEMAKKELIJKEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

— tusschenv.. = Gemakkelijk , gemakkelijker worden. Het aanleeren van de taal vergemakkelijkt veel, als ge bij iemand zijt die ze spreken kan.

VERGEERDER (zware f), z. nw., m.. = Vergaarder, spaarder.

Spr. : Achter 'nen vergeerder komt een verteerder.

VERGEREN (zware e), werkw., overg.. = Vergaderen, sparen, bijeenbrengen. C. T. K. Geld en goed vergeren.

— = (Schrijnw.j Vergaren, twee of meer stukken hout in verband brengen en aaneenvoegen. Een deur vergeren. C.

VERGERING (zware e). — Z. Vergaring, 2°. C. S. T.

— Kwade vergering, miskraam in de eerste maanden van de dracht. D.

VERGETEN, werkw., overg. {hebben en zijn). — Z. Wdb.. C.

Spr. : Vergeet gij niet te liegen ? Liegt ge niet ?

— tusschenw.. — Vergeten worden. D. Zoo een zaak vergeet gemakkelijk.

— Wordt veel zelfst. gebezigd. Dat is een spijtig vergeten.

VERGETENHEID, z. nw., vr.. = Iets dat men vergeten heeft te doen. C. Dat is een vergetenheid van mijnen kant, maar ik zal den naasten keer beter opletten.

VERGEVEN, werkw., overg.. — Z.Wdb..

Spr. : Vergeven zijn van honger, van dorst, zeer grooten honger of dorst hebben. Alles is vergeven en vergeten.

— = Geheel bederven. C. D. S. T. R. Dat onkruid zal heel onzen akker vergeven. Zijn huis is vergeven van de walluizen.

VERGIDDEREN, werkw., overg.. = Al lachende verspelen, doorbrengen. Gij hebt al uwen tijd vergidderd.

VERGIERIGEN, werkw., onov. (zijn). = Gieriger worden.

VERGIF, z. nw., o.. = Vergift. V..

VERGIFBEZIE. z. nw., vr.. — Z. Aschgrauw.

VERGLATTEN, werkw., overg.. = Gladder maken. Het slieren van de kinderen heeft de straal, nog verglat.

— tusschenv.. = Gladder worden. Een spablad verglat deur 't gebruik.

VERGOORD (scherpe o), bijv. nw.. = Beu geëten of gedronken. S. Ik ben vergoord in die zoetigheid.

Bij D. : verzonken , overladen.

VERGOUW. z. nw., vr.. — Z. Stinkende vergouw. K. vergoude, chelidonia.

VERGRAUWEN, werkw., overg.. = Grauwer maken. Een koleur vergrauwen.

— tusschenv.. = Grauwer worden. D. Die appels vergrauwen met rijp te worden.

— onov. (zijn), eenp.. = Donker worden, avond worden. Het is tijd van naar huis te gaan, want het begint te vergrauwen.

— Ook zelfst. gebez.. Hij bederft zijn oogen met in het vergrauwen te lezen.

Spr. : Tusschen 't vergrauwen en 't donker worden, des avonds.

VERGRIJZEN, werkw., overg.. = Grijzer maken. S.

— tusschenv.. — Z. Wdb..

VERGROFFEN, werkw., overg.. = Vergroven. Ge moet sommige lijnen van de letters vergroffen.

— tusschenv.. = Mijn geschrift vergroft, volgens dat mijn pen langer dient.

VERGROENEN. werkw., overg.. = Groener maken. Een koleur vergroenen.

— tusschenv.. = Groener worden. D.

VERGROOTEN. werkw., overg.. — Z. Wdb..

-—tusschenv. = Grooter worden. Ons manneken is sedert korten tijd veel vergroot.

Ook vergrooteren.

Sluiten