Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERTERLAFEIEN. VERTERLAGEIEN . werkw., overg.. = Verwarren, verwoesten. Ziet eens hoe in den stal alles verterlafeid ligt !

Bij S. verterleveien en vertarlaveien.

VERTIERELIETEN, werkw., overg.. = Verkwisten. Zijn leste geld vertierelieten.

Bij C. en S. vertierelieren.

VERTIJ(EN, werkw., overg. en onov. (hebben). — Z. Loochenen. C. D. S. O.

VERTIPPEN, werkw., overg.. =Eenen anderen tip aanzetten , den tip of de tippen van iets vernieuwen. D. Nen hoed vertippen.

VERTOTTEREN, werkw., overg.. - Met eenen tol verstooten. Ik heb uwen top w.el drij stappen vertotterd.

VERTREK, z. nw., o.. = Gemak, huisken, C. D. S.

VERTREKKEN, werkw., overg.. Trekkende van plaats doen veranderen. K. prol rakere, morere loco. Nen stoel vertrekken.

— tusschenv.. Van plaats veranderen. Zijn wezen vertrok heel en gansch van de pijn.

— onov. (zijn). — Z. Wdb..

Spr. : Vertrekken gelijk een vlieg op een plank, in eens, plotseling weggaan.

VERTREKPOT, z. nw., m.. — Z. Gemakpot.

VERTRISSELEN . VERTRITSELEN . werkw., overg.. — Z. Verirutselen.

VERTRUG, bijw.. = Terug, weder.

Dient, gelijk verori en verdrom, om veel samengest. werkw. te maken. Vertrughoud.cn, vertrugroepen , vertrugiagen, enz..

VERTRUTSELEN, werkw., overg.. Verteren , versnoepen , meest van kinderen gezeid. Jantje vertrutselt al zijn centen, hij weet niet wat sparen is.

— = Verbeuzelen. C. D. S. Zijnen tijd vertrutselen.

VERTUIËREN. werkw., overg.. = Schipp.) Vertuien. Een schip is vertuierd, als het, op stroom liggende, van voren en van achter aan een touw vastligt.

VERTURLUTEN. werkw., overg.. = Verkwisten, verteren. C. S. Hij heeft allemaal zijn geld aan de kramen verturluut.

Bij V. vertureluren (veroud. gew.); bij D. vertureluit en ; bij R. verturluren.

VERUIT, bijw.. = Verreweg. Die boom is veruit de grootste van heel de dreef.

VERVAGEN . werkw., overg.. Uitmaken, uitkuischen, van slooten gezeid. Wij gaan slooten vervagen. O.

VERVAREN, werkw., onov. (zijn). = Zich heen begeven. V.. Ik weet niet waar hij vervaren is.

VERVARSCHEN rs ss), werkw., overg.. — Ververschen.

VERVEERD (zware e), bijv. nw.. = Vervaard. C. T. R.

VERVEN, werkw., overg.. = Met eenige verf of kleurstof besmetten. C. Gij hebt uw mouw geverfd met aan de deur te raken.

— onov. (hebben). = Verf afgeven. C. Mijn rok verft nog , bijzonderlijk als hij wat nat is.

VER VERREN, werkw., onov. (zijn). = Achteruitwijken , verder zijn. D. Die toren schijnt gedurig te ververren.

VERVETTEN, werkw., onov. (zijn). = Vetter worden. V. D. Geef de konijnen dagelijks veel eten , opdat zij meer zouden vervetten.

VERVEURDEREN, werkw,, overg.. —Voortzetten , vervorderen. D. Ge moet zonder uitstel uw werk verveurderen.

— Een zaak verveurderen, voor het gerecht, voor een hooger gerecht brengen.

VERVIEREN, werkw., onov. (zijn). Vervuren. Dat hout begint te vervieren.

VERVIEZEN, werkw., onov. (zijn). = Kieskeuriger worden.

VERVLAAMSlCHjEN , werkw., overg.. = Vlaamsch , vlaamschgezind maken. S. Een professor kan zijn studenten vervlaamschen.

— = Vlaamsch, vlaamschgezind worden. S. Men hoort veel van families die verfranschen, van families die vervlaamschen , weinig of niet.

VERVOEiD EN, werkw., overg.. = Vervoederen. Gras vervoeden.

VERVOELEN. werkw., overg.. —Gevoelen, voelen. D. Hebt gij die dikte aan uwen voet niet vroeger vervoeld ?

VERVOLGENS, voorz. en bijw. = Volgens. C. T. R. Ge zult betaald worden vervolgens uw werk. Dat is vervolgens.

Bij V. : daarna , naderhand.

— Vervolgens dat, volgens dat, naardat. Uw loon zal hooger zijn vervolgens dat ge beter werk levert.

VERVRIENDELIJKEN, werkw., onov. (zijn). = Vriendelijker worden. D. Nu dat hij in de Kamers zit, is die heer veel vervriendelijkt.

VERVRIEZEN, werkw., onov. zijn). = Bevriezen. Mijn handen zijn vervrozen van de kou , ik ga mij wat warmen.

Bij V : geheel bevriezen.

Spr. ; Niet vervrozen zijn, slim, behendig zijn.

VERVUILEN, werkw., onov. (zijn). Vol onkruid komen. C. Die akker, deur de luiheid van den boer, is heel en gansch vervuild.

87.

Sluiten