Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der hel, plaats waar de kinderen verblijven die zonder doopsel sterven. C. D. S. K. veur-geborght der hellen, limbus inferni.

VEURGELEERD. bijv. nw.. — In de spr. ; Veurgeleerd is naargedaan.

VEURGERAKEN, werkw., onov. (zijn}. — Zoo verre komen dat men de anderen vóór is. C. D. R. Als ge u niet haast, zal ik u rap veurgeraken.

VEURGETREK. z. nw., o.. = Voorste deel van eenen wagen , van een getuig , enz.. D.

VEURGOED, bijw.. = Voor altijd. V. S. R. Ik ga veurgoed weg.

VEURHAND, z. nw., vr.. — (Kaartsp.) De veurhand hebben, op de veurhand zitten, eerst moeten uitspelen. C. S.

Bij D. aan de voorhand zitten.

— Op veurhand, vooruit, vooraf. D. T. R. Iemand op veurhand betalen. Ik heb u op veurhand verwittigd dat gij niet gelukken zoudt.

VEURHEBBEN, VEURHEMMEN , werkw , overg.. = Vooruit hebben in het spel. V..

Spr. : levers een holleken of vijftien veurhebbett, er begunstigd worden.

VEURHEKKEN, z. nw., o.. == (Meulen) Halfdeel van de meulenroede dat naast het roeëinde is. C.

Bij D. veurrek.

VEURHEPS, z. nw., vr.. = Voorste hesp van een verken. C.

Bij D. voorhespe.

VEURIG, bijv. nw.. — Vorig. Den veurigen dag had ik hem nog gezond gezien.

VEURKEUNING. z. nw., m..= (Biem.) Voorkoning , oude koningin die met den voorzwerm vertrekt.

VEURKEUR. z. nw., m. (niet vr.). = Voorkeur. C.

VEURKOMEN, werkw., onov. (zijn). — In den winkel of aan de deur komen bij de klanten of de bezoekers. Komt er niemand veur ? Ik sta hier al tien minuten te wachten.

VEÜRLAP, z. nw., m.. — Z. Half zool.

VEURLOOP, z. nw., m.. - (Boer) Smalle plank die men van voor aan den bak van de ker doet.

Ook vooromloop.

VEURLOOPER, z. nw., m.. — Z. Roefel.

— = Onwettig kind.

VEÜRMEULEN, z. nw., m.. = (Mulder) Kant van het steenbed naast de voorweeg. D.

VEURNOEN (klemt, op noen), z. nw., m.. = Voormiddag. C. D.

Gewest, bij V..

VEUROMLOOP, z. nw., m.. — Z. Veurloop.

VEURONDER, z. nw., o. of m.. = (Schipp.) Benedenplaats van voren op een zeilschip. Gewoonlijk is de vooronder tot woon- en slaapplaats ingericht.

VEURONDERLUIK, z. nw., o.. = (Schipp.) Deksel dat de opening sluit langs waar men in den vooronder daalt.

VEUROP, bijw.. = Van te voren, vooruit. Ik zal 't u drij dagen veurop laten wetèn.

— (Mulder) De wind komt veurop, als hij komt langs de steenwegzijde.

VEUROVERSTUIKEN. werkw., onov. (zijn)= Plotseling voorovervallen, C. T. R.

VEURPLAATS, z. nw., vr.. = Voorkamer. C.

VEURSCHEEiDE), z. nw., vr.. = (Schrijnw.) Voorrichel van eene vergaring, traverse de devant.

VEURSCHOF, z. nw., o.. — Z. Veurbard.

VEURSCHOOT, z. nw., m.. = Voorschoot.

Spr. : Den blauwen veurschoot uithangen of uitsteken, feest vieren , niet werken.

— ~ Voorgevel van een huis. C. Aan dat huis is een nette veurschoot, maar van buiten is 't vuil en slecht onderhouden.

— Z. Plansier.

VEURSLAG, z. nw., m.. = (Oliemeulen) Lijnzaad dat, alleenlijk onder de steenen geperst is. V. D.

_ = Fijn, dun uiteinde van de djak der koeters of der nonners.

VEURSLAGBANK. z. nw., vr.. = (Oliemeulen) Soort van tafel of houten plaat waar het geperste zaad veurgeslagen wordt, of waar het grootste deel olie uit het zaad getrokken wordt.

VEURSLAGEN, werkw.. overg., scheidb.. = (Smid) Gloeiend ijzer met den voorhamer slaan tegenover den smeder. C.

= (Oliemeulen) Uitpersen. Het goed , het zaad

uitpersen, er de meeste olie uittrekken. Als het goed voorgeslegen is, moet het naar de opwerkbank , waar ze er de leste olie uittrekken.

VEURSLAGZAK, z. nw., m.. = (Oliemeulen) Broodzak , lijnzaadzak waar het opwerk in gestoken wordt. D.

VEURSPEL, z. nw., o. = Proeludium, prélude.

VEURST, bijv. nw. en bijw.. = Verste, meest afgelegen. D Ik weun de veurste van de kerk. Ik weun veurst van al.

VEÜRSTAAK. z. nw.,m.. — Z. Achterstaak.

VEURSTE, z. nw., o.. = Voorste.

— (Schoenm.) De veur sten, het overleder.

VEURSTE , bijv. nw.. = Voorste.

— Iemand ten veurste helpen, vooruithelpen, onder-

Sluiten