Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIJT, z. nw., vr.. = Fijt, panaris. D. S. R. K.

hulcus digitale.

Het volk spreekt van de beendervijt, de bleinvijt,

de blomvijt, de loopende en de zwarte vijt.

Spr. : De vijt komt om lid of lijf.

V. verwijst voor vijt naar « het betere fijt».

— Slapende vijt. Z. Koller.

— Dobbele vijt. Z. Koller.

VIJVER , z. nw., m.. Z. Wdb..

Spr. ; Op zulke vijvers vangt men zulke visschen, zulke werken hebben zulk gevolg.

VIJVER, z. nw., m.. = (Ziekte) Natuurlijk, zenuwachtig en vetachtig gezwel liggende bij den nek der peerden. Het begint bezijden de ooren en langsheen het kaaksbeen naar den nek toe. Het gelijkt een balk.

Ook vijversbalken.

— (Ziekte) Slapende vijver. Z. Koller. K. vijve, vijver, Jijve, fijver, morbus periculosissimus animalimn , cum a verme prcecipue infestantur.

VIJZEN, werkw., overg.. = Schroeven. V..

— onov. (hebben). = Liegen. Hij is bezig met te vijzen.

VILT, z. nw., vr.. = (Vlas) Ieder van de twee kussens van vilt, laken of gevlochten stroo of biezen waar de spil van 't spinnewiel op draait. D. S. Ook vult.

VINDELING, z. nw., m.. = (Dijkw.) Dijk die in den vorm van eenen halven kring rond de plaats aangebracht wordt waar een zeedijk doorgebroken is. om het voortdurend onderloopen eens polders te keer te gaan.

VINDEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Dan leg ik mij te vinden, dat zal niet gebeuren. Ik zal u vinden, dat zult gij boeten. Iemand liever verloren hebben als gevonden, er weinig genegenheid voor hebben.

Men zegt soms : ik heb dat daar vinden liggen voor

ik heb dat daar liggende gevonden. C. R.

Veel, weinig vtnden in iets, veel, weinig weerde,

belang hechten aan iets. D. Dat zijn zeun niet leert, daar vindt hij niets in.

— Iets gevonden krijgen, schikken. Kunt ge niet gevonden krijgen dat ge met ons naar Brussel vertrekt ?

VINGELING. z. nw., m.. = Vingerling.

= (Boer) Ijzer in vorm van hoefijzer waarmede

de haamschijnen aan de zwingen verbonden zijn. D.

VINGER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Het vingerken naast den duim zijn, zeer bemind, ingevolgd worden. Dat zult gij aan uw vingeren hebben, dat zal u tot schade zijn. Iets deur de vingeren zien, oogluikend toelaten. Als ge den vinger hebt, zoudt ge heel de hand willen, wees niet te hebzuchtig , te eischend. Lange vingeren hebben, dief¬

achtig zijn. Ge moet uw vingeren thuis houden, moogt niet stelen, niets aanraken. Daar heeft iemand in zijnen vinger gesneden, eenen wind gelaten. Ik heb niet anders als mijn tien vingeren. ik bezit geen fortuin. Ge meugt op uw vingers knippen, hebt reden om tevreden te zijn. Steekt uwen vinger in den grond en riekt in wat land gij zijt, ge moet u gedragen naar de menschen waar gij bij zijt.

VINK , z. nw., m. en vr.. — Z. Wdb .

Spr. : Snel, wakker als een vink. Luisteren gelijk een vink.

— Oostersche vink. Z. Oostersch

— = Wakker, levendig kind.

VINK, z. nw., vr.. — Z. Sloofspoel.

VINK, z. nw., m.. = (Dijkw.) Veen, veengrond. Het woord is niet veel in gebruik.

VINKAARD, z. nw., m.. — Z. Aard.

VINKEL . z. nw., m.. — Z. Anijsblom.

VINKEN, z. nw., meerv., zonder lidwoord. = Geld. Hij zit met vinken.

Bij D. ; ponk , spaarpot.

VINKEN, werkw., onov. (hebben). = Vonken, branden zonder vlam. C. Het vier brandt niet meer, het vinkt maar.

VINKERSGESMIJ, z. nw., o.. = Al het gereedschap van den vogelvanger.

VINKHOUT, z. nw., o.. •= Glimhout. Ook vunshout.

VINKHUISKEN, z. nw., o.. = Vinkenhuis, cabane d'oiseleurs.

Spr. : Naar '/ vinhhuis gaan, te biechten gaan.

VINKMUIT. z. nw., vr.. = Kleine kooi die de vinker meedraagt om te gaan vinken.

VINKNET, z. nw., vr.. = Vinkennet.

VINKPAND, z nw., m.. = Net dat in de struiken gehangen wordt om vinken te vangen.

VINNIG, bijv. nw.. = Vlug, levendig. C. T. R. Dat oud ventje is nog vinnig om te werken. Dat is een vinnig peerdje.

VINST, z. nw., vr.. — Z. Vonst.

VIOLET, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Viooltje , Viola odorala, fam. Violar..

— = (Kruidk.) Viola tricolor,pensee, fam. Violar..

VIOLETGERANIUM, z. nw., vr.. = (Kruidk.) Pelargonium grandiflora, pelargonium, fam. Geran..

VIOLET JE, z. nw., o.. = Kleine meikever.

VIOOL, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Op de viool spelen , weenen , schreien. levers de eerste viool spelen , er den boventoon voeren , er baas zijn.

— = Lijf, lichaam. C. Ik zal u 'nen trok onder uw viool geven.

Sluiten