Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIOOLKRABBER, z. nw.,mZ. Krabber.

VIS, z. nw., vr. en o.. = Bunsing , patois. D. S. R.

Bij V. : visse (gewest, veroud.).

VISCH, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Leven gelijk een visch in 't water, onbekommerd. Zoo vrij als ten visch in 't water. Mossel noch visch, visch noch vleeschzijn, vriend noch vijand, iemand waar men niet op rekenen mag, b. v. in het stemmen. Spelt daar verschen visch uit. Z. Spellen. Op alle putten visch hebben. Z. Put. Iemand uitmaken veur nuilen visch, voor al wat slecht is. Nen visch vangen , in 't water vallen. De eene is vuile boter en de andere vuile visch, ze deugen beiden niet. Boter bij den visch, geld bij de waar.

VISfCH)ACHTIG, bijv. nw.. = Geerne visch etende. C. D.

VIS(CH'KODDE , z. nw., vr.. == Hengelroede.

VIS(CH)MIJN, z. nw., vr.. = Mijn, plaats waar de visch gemijnd wordt. C. D. S.

Bij D. ook vischmijnke.

VIS(CH RUGGEGRAAT, z. nw., vr.. — Z. Noot.

VIS(CH VROUW, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— = Vrouw die geerne visch eet.

VIS(CH WIJF, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Praten, roepen gelijk een vischwijf.

VISENTEEREN, werkw., overg.. = Visiteeren, nauwkeurig onderzoeken. C. De doktoor heeft de zieke gevisenteerd.

VISKIP, z. nw., o.. = Val om vissen te vangen. D.

VISS CHlEN . werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Naar of op iets of iemand visschen , trachten te bekomen ; hij vischt al lang op de dochter van den mulder, maar hij zal ze niet krijgen. In troebel water visschen, profijt trachten te trekken uit anderer geschil.

VISS;CH)E(N)KEI, z. nw., m.. = Kei, langwerpig en zwart.

VITRIOOL, z. nw., m. (niet o. of vr.).. — Z. Wdb.. C. R.

VITSEROE. VITSROE, z. nw., vr.. = (Wever) Roede die men in 't begin van het stuk steekt en daarna in den boom vastmaakt.

VIVANT, bijv. nw.. = Levendig, wakker. D. Een vivante kerel.

VLA, z. nw., vr.. —Liersche vla, klein rond vlaken dat de kinderen in de winkels gaan koopen en dat gemaakt is van appelmoes of pruimen met een gebak van bloem er rond.

VLAAG, z. nw., vr.. = Reep stroo die voor het karrekot hangt, om den wind, den regen en de sneeuw af te weren. C. S.

Bij D. vlaak en vlagge ; bij S. ook vlaak en vlag ; bij R. vlag.

— = Horde waar men wol op slaat , vlaak.

VLAAGACHTIG, bijv. nw.'. = Buiachtig. Het is vlaagachtig.

— = Buien voorspellend. Dat de paling water omhoogbrobbelt, is vlaagachtig.

VLAAGNAT. z. nw., o.. = Regen die niet lang duurt, maar dikwijls herbegint.

VLAAGWOLK, z. nw., vr.. = Donkere, grijze wolk waar het, op sommige tijden, uit regent of dondert.

VLAAK, z. nw., vr.. — Z. Rijs, (Boer).

VLAAMSCH , z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Leer hem Vlaamsch, doe het hem door slagen verstaan.

VLAAMSCHE BIJVOET, z. nw., m.. — Z. Scüoonmaakselkruid.

VLAANDEREN, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. ; Vlaanderen en Brabant hebben, in 't kaarten, zeer schoon spel hebben.

VLAANDEREN, werkw., onov. (hebben). = Zich kwaad maken, kijven, slaan. De armen Vlaanderen op de rijken. lederen keer dat die zatterik thuis komt, begint hij te Vlaanderen op zijn vrouw.

VLAGEN, werkw., onov. eenp. (hebben). — Buien, bij poozen regenen en waaien. D. Wij meugen er ons aan verwachten, dat het zal vlagen.

VLAGGELIJN, z. nw., vr. en o.. = (Schipp.) Vlagtouw.

VLAGIG. bijv. nw. en bijw.. = Vlaagachtig, 't Ziet er vandaag maar vlagig uit.

VLAKAF, bijw.. = Vlakuit. S. R. Iemand vlakaf de waarheid zeggen.

Ook vlakweg.

VLAKEN, werkw., overg.. = (Boer) De vlaak over het land trekken. Z. Rijzen, (Boer).

VLAKOM, z. nw., vï.. — (Pottenb.) Kom veel gebruikt om vladen in te bakken.

VLAKWEG, bijw.. - Z. Vlakaf.

VLAM. z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Op iemand vlam geven. Z. Vlammen. 2°. Vlam en vier spongen, hevig gram zijn.

— = (Vlas) Ziekte in het vlas waardoor het eene roode tint krijgt.

— Vlammen, meerv., gekronkelde aderen-, rondgekrulde strepen in kwastig hout. C.

VLAMING, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Een Vlaming heeft altijd een geluk.

VLAMMEN. werkw., overg.. — (Boer) Den eur vlammen, er een brandenden solferstek over hou-

Sluiten