Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de plichtige moet staan. Die verlost wordt, moet altijd laatst springen. Als de drij of vier voeten ten einde zijn, herbegint het spel aan de eerste meet. Indien het vooraf besproken is, wordt hij die staat, verlost, als iemand hem raakt b. v. met de voeten.

— Voetje slagen. Jongensspel. Een knaap neemt eenen knop (soms eene scherf of eenen cent), en werpt dien onder zijnen voet, zonder dat de tegenmaat kunne zien hoe hij ligt : kop of letter. De tegenmaat neemt ook eenen knop en slaat hem van boven op den voet waar de eerste knop onder ligt. Nu trekt de eerste speler zijnen voet weg. Ligt de knop onderden voet juist gelijk die van den tweeden speler, zoo is deze gewonnen ; ligt de eene kop en de andere letter, dan wint de eerste speler. Zoo doet men elk op zijne beurt.

VOETELING, z. nw., m.. — Deel der kous dat den voet bedekt. S. K. pedule. O.

VOETEN, werkw., overg.. = (Potbakk.) Eenen voet zetten aan. Nen pot voeten.

VOETENBREISTER, z. nw., vr.. = Meisje dat alleenlijk den voet der kousen breidt.

VOETENDE, z. nw., o.. = Voeteneinde, kant van 'tbed waar de voeten liggen D.

VOETJESPASSER, z. nw., m.. = (Schrijnw.) Passer om de grootte van een hol te meten.

VOETKRABBER, z. nw., m.. — Z. Krabber. C. S.

VOETLAP, z. nw., m.. = (Potbakk.) Lap dienende om eenen voet aan de potten te zetten.

VOETLAT, z. nw., vr.. = Lat, onder aan eenen lessenaar, eene tafel. enz., waar de voeten op rusten.

VOETMES, z. nw., o... = (Schoenm.) Mes waarvan de snede den vorm heeft van eene halve maan en in het midden op eenen hecht vastzit. D.

VOETPLANK, z. nw., vr.. = Plank onderaan eenen lessenaar, eene tafel, enz., waar de voeten op rusten.

VOETSCHEEL , z. nw., vr. en o.. (Potbakk.) Deksel waar een voet aan is.

VOETSCHEER (zware «), z. nw., vr.. == (Blekk.) Groote schaar dienende om dikke wisschen te snijden.

VOETSTEEN , z. nw., m.. = Steen dienende om des Winters de voeten op te warmen.

VOETVOLK, z. nw., o.. = Luizen, schertsend. Voetvolk hebben.

VOETWATER, z. nw., o.. — In de spreuk : Van 't bad in 't voetwater vallen, achteruitgaan in winst, in fortuin.

VOETWEGEL, z. nw., m.. = Voetweg. D.

VOETWIEL, z. nw., o.. = (Spinst.) Spinnewiel dat met den voet moet getrapt worden. De spinrok is van boven aan het wiel vast. Het is 't alleroudste spinnewiel.

VOGEL, z. nw., m.. - Z. Wdb..

Spr. : Zoo vrij als een vogel in de lucht. Hij meent den hoogsten vogel afgeschoten te hebben, iets buitengewoons verricht te hebben. Hij is een vogel veur de kat, bedorven zijn; niet meer te genezen zijn. Men kent den vogel aan zijn pluimen (of veeren) niet, schijn bedriegt. Iemands vogel uittrekken, iemand voor zijn, zijn geheim onderscheppen, 't Is een slechte vogel die zijn pluimen niet kan dragen, op iemand die zijne zakeij te lastig vindt en ze verwaarloost. De vogels die te vroeg zingen, worden van de kal gepakt, op lichtzinnige dochters. Beter éenen vogel in de hand als tien in de lucht, hebben is beter dan krijgen. Vogels van eender veeren vliegen geren samen, soort zoekt soort. Den vogel op zijnen nest hebben, iemand op heeterdaad betrappen. Ieder vogel heeft plezier in zijnen zang. Ieder vogel zingt gelijk hij gebekt is. Z. Gebekt. Vette vogels vliegen niet lang. Z. Vet. Magere vogels vliegen verst, de kaalaards gaan vrijen buiten hunne streek. Zoolang de vogel op de wip staat, schiet er ieder naar, zoolang er eene gunstige gelegenheid is , tracht ieder ze voor zich te hebben. Dat is een vogel op 'nen tak, dat is iemand op wien ge geenen staat kunt maken , een knecht, b. v., die verhuizen kan, als hij wil.

— = Kerel. C. Ja maar, vogel, dat mag niet meer gebeuren, 't Is een slimme vogel, die Jan.

— = Ieder gaai der wip. C.

— = Vlieger die op eenen vogel gelijkt.

— Vogel verkoopen. Er is een baas van de vogels (de jongens) die hun elk eenen naam geeft, b. v. vink, musch, enz.. Al de vogels staan tegen den muur. Nu komt er een gezel, de vogelkoopman, en vraagt aan den baas : Hebt gij geene vogelen te koop ? — Ja, wat voor eenen vogel moet gij hebben ? — Nu raadt de koopman eenen naam, b. v. een koninksken. — Dien vogel heb ik niet. De koopman gaat een eind weg en komt weer zijne vraag vernieuwen. Hebt gij geene vogelen te koop ? — Ja, wat voor eenen moet gij hebben ? — Eene musch. Nu gaat de jongen die den naam musch draagt, vliegen , dat is loopen, rond de speelplaats ; de koopman loopt er achter ; kan hij hem vangen eer hij weder op zijne plaats is, dan is de vogel voor hem ; kan hij hem niet vangen , zoo gaat de jongen weder op zijne plaats en krijgt eenen anderen naam. Zoo gaat men altijd voort met verkoopen.

VOGELEER (zware <), z.nw.,m.. = (Boer)Die het zaad keert (in het dorschen op 't land). Zoogauw het zaad gekeerd is, wordt het eene tweede maal gedorschen, daarna wederom gekeerd om het stroo op te binden.

Sluiten