Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De tien gaven eener scheet:

Ten iste, zij klinkt,

Ten 2de, zij stinkt,

Ten zij verlicht den darm ,

Ten 4do, zij maakt de broek warm,

Ten 5do, zij verlicht het gat,

Ten 6dl', zij maakt den buik plat,

Ten 7<ie, zij pruischt,

Ten 8*te, zij ruischt,

Ten 9^e, zij grommelt Ten iode, zij dommelt.

Hoort, vrienden, 'k zal 't u gaan vertellen , maar

[spreken kan ik niet, Wat voor een wonder zaak mij morgen is geschied, 'k Was thuis gerust op mijnen stoel gezeten ,

Ik reed zeer pront te peerd , maar 'k had per abuus

[den toom vergeten. Zoo reed ik door een schoone stad waar noch huis

[noch kerke stond. Nooit had ik zooveel volk gezien, daar was noch

[mensch, noch hond. 'k Zag daar een oude vrouw die bezig was met keien

[te plooien,

Gezeten op nen droogen boom zeer jeugdig aan het

[groeien.

Met vloeken en getier ontvong zij mij zeer beleefd, Gelijk een gebraden kalf dat men te drinken geeft. Uit de ingestopte flesch dronken wij als twee helden. Ik zag veel hazen en kornijnen die liepen daar te

[velden ;

Gezond en wel te pas, ze waren door het eten over-

[boefd

En hadden in geen zeven jaar noch nat, noch droog

[geproefd.

Dan reed ik naar huis, springende op twee krukken, Om daar een versmoorde kind te helpen uit de onMaar, als ik gerust en stil te bedde lag, [gelukken ; Dan riep mijn knecht: staat op , 't is klaar dag.

Als de kinderen de maan zien :

't Manneken uit de maan Mee zijn leeren broeksken aan , 't Is genaaid mee dobbelen twijn,

't Zal zooveel te sterker zijn.

Als de kinderen 'nen papegaai hooren of zien : Papegaaiken , leefde gij nog ? — Ja, mijnheer, God zij gelofd (geloofd). — Zijn de kriekskes nog nie rijp ?

— Neen, mijnheer, ze blommen nog.

Haalt ze maar en bringt ze mee,

'k Zal u geven een vette pree.

Bij 't zien van 'nen soldaat:

Een twee drij !

't Soldaatjen uit de wei,

't Soldaatjen heeft een hoedjen op Van een twee drij !

VOLLE. bijw.. — In de uitdrukk. : Wat volle, eenigszins te. C. Ik zou dien zak wel dragen, maar hij weegt wat volle zwaar.

Vóór h of eenen klinker zegt men vollen. Het verdiep van dat huis is wat vollen hoog.

VOLLEDEEREN (zachte e), werkw., onov. (hebben). — Voldoen , bevredigen, naar den zin zijn. Ik koop die sfoelen niet, ze volledeeren mij niet.

VOLLEEFD, bijv. nw.. — In de spr. : Zoolang ge niet volleefd zijt, zijl ge niet volleerd, men leert zoolang men leeft.

VOLLE WERK, z. nw., m. en o.. — Z. Eeg.

VOLLEWERKEEG. z. nw., vr.. — Z. Eeg.

VOLLIJVIG. bijv. nw.. = Vol van lijf, goed gevleesd. C. Die mensch gaat maar traag, omdat hij zoo vollijvig is.

VOLMAAKT, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : De volmaakte zijn in den Hemel, ieder hier heeft zijn gebrek.

VOLPAKKEN, werkw., overg.. — Z. Volhebben,

VOLSLEGEN, bijv.nw.. = Volwassen. O. Mieken is nog maar vijftien jaar en toch is ze al een volslegen vrouwmensch.

VOLSLIKKEN. werkw., onov. {zijn), scheidb.. — Z. Toeslikken.

VOLVOEGEN. werkw., overg., scheidb.. (Mets.) Met mortel de voegen opvullen en effenstrijken.

VOLVOET, z. nw., m.. = Platvoet. S. R.

VOLVOETIG, bijv. nw.. = Volhoevig, van peerden. V..

— = Platvoetig, van menschen gezeid. S.

VOLZAAIEN (klemt, op zaaien), werkw., overg., onsch.. = Zoo zaaien dat er geene onbezaaide plaats meer blijft. C. Alles is volzet en volzaaid.

Alleenlijk in 't verled. deelw. gebezigd.

VOLZEIL (klemt, op zeil). — (Mulder) De meulen slaat (op) volzeil, wanneer het zeil gansch, in zijne heele lengte, opengespannen is.

VOLZETTEN (klemt, op zetten), werkw., overg., onsch.. = Zoo schikken dat er geen ledige plaats meer overblijft. C. S. T. Al de plaatsen zijn volzet in de zaal.

Bij D. vulzetten.

— (Boer) De koe is volzet in de muil, als zij acht tanden heeft.

VOND, z. nw., vr.. —Z. Wdb..

— (Vroedkunde) De vond opnemen . faire le toucher.

VONDEL, z. nw., o.. = (Mulder) Klein balksken dat in de pasbrug ligt en dient om de steenen op elkander te doen passen. K. ponticulus.

Bij C. vonder, m..

Sluiten