Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VULLEN, werkw., overg. en onov. (hebben). —Z. Wdb..

Spr. : Dat vult, dat voedt, zei de man, en hij at het kind zijnen pap uit.

— onov. (zijn). — Z. Gaan.

VULSEL, z. mv.,o.. = (Timmerm.) Loodrechte plank die de treden van eenen trap verbindt. S.

— = (Spinst.) Stroo waar de spil in draait. De spinnewielen met vulsel zijn de oudste.

VULT, z. nw,, vr.. — Z. Vilt.

VULTE, z. nw., vr.. = Groote hoeveelheid. V. D. Daar is wel regen gevallen, maar 't was niet

met de vulte. Nu is hij blij , nu dat hij de vult van 't eten heeft, d. i., nu hij eten in overvloed heeft.

— Schimpnaam op eene vrouw. Dikke vulte.

VUNSHOUT. z. nw., o.. — Z. Vinkhout.

VUNT, z. nw., vr.. = Doopvont. C. D. S. K. baptisterium.

VUNZEN. werkw., onov. (hebben). — Vonken, branden zonder vlam. D. S. Daar licht dicht tegen de schuur wat stroo te vunzen.

VUUR. z. nw., o.. — Z. Vier en al de samenstellingen.

Sluiten