Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Breede watergracht rond een hof of kasteel.

D. S. K. walle, utida ?

WALDERIK , z. nw., m.. Z. Dering, i» en 2°. 1

WALDHOOREN, z. nw., m.. = Trompet voor kinders. Het mondstuk staat op 't een uiteinde eener geverfde wisch die tot een ronden band gekromd is ; op het ander uiteinde steekt het trech- 1 tervormig deel, zoodat het goed op eenen jacht- • hoorn gelijkt.

— = Blaashoorn in muziekmaatschappijen, cor.

WALEBEEST, z. nw., vr.. — Smaadnaam, Waal. C. R.

WAREKOP, z. nw., m.. — Smaadnaam, Waal.

C.

— Z. Hoofdnagel. D.

WALENBOOT, z. nw., m.. =(Schipp.) Roeiboot die achter de -walenschepen hangt. Het voor- en . het achterdeel staan puntig omhoog en verschillen weinig van elkander.

WALE N)K(W AARTIER. z. nw., o.. = Walenland. C. S. R.

WALENNAGEL, z. nw., m.. — Z. Hoofdnagel. WALE(N)SCHIP , z. nw., o.. - Z. Waal.

WALG, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb. C.

Bij D. m. en vr .

WALGELIJK . bijv., nw.. = Walglijk.

WALK, z. nw., vr.. — Z. Mas.

_ _ (Steenbakk.) Klad aarde die in den pannevorm

geperst wordt.

WALKBANK, z. nw., vr.. — Z. Masblok. C. D.

— = (Steenbakk.) Plank, werkbank waar de walken op bereid worden. C.

WALKEN, werkw. overg. en onov. (hebben).— (Pot- en steenb.) De potaarde kneden en doorwerken met handen en armen , om ze zacht te maken. C. D. S.

WALKER, z. nw., m..=(Pot- en steenbakk.).

Werkman die walkt. V. C.

WALLEBAK. z. nw., m.. = Zwierbol, liederlijke

dronkaard. C. S.

WALLEBAKKEN, werkw.,onov.(hebben), onsch.. = Dronken langs de straten zwieren en de kroegen afloopen. C. S. De werkstakers hebben geheel de week gewallebakt.

WALLEBAKKERIJ, z. nw., vr.. == Slemperij. C. S.

WALLEN, werkw., onov. (hebben). = Zachtjes koken , brobbelende zieden. C. D. S. K. ebullire. O. De boonen staan te wallen.

Zuidned. bij V..

— Wordt ook van 't bruischen en schuimen van een groot water gezeid. Met zekere stof in de grachten

te smijten, begint het water te wallen en al de visschen komen boven.

WALM, z. nw., vr.. = (Vleeschh.). Vang, dat ook gebezigd wordt, culotte. T. R.

Walm wordt meest gebezigd in 't handelen der beest ; vang , als de beest geslacht is.

WALMEN, werkw., overg. = Den invloed van • wat brandend stroo doen gevoelen. D. Het verken, dat gedood is, wordt met stroo gewalmd, 't Is een deugniet, de duvels zullen hem ginder walmen.

WALS(CH)AARD. z. nw., m.. — Z. Malschaard.

WALSEN, werkw , overg.. = Drijven, jagen. C. Iemand aan de deur walsen.

WAMBUIS, z. nw., o.. = (Schipp.) Plaats die vroegere jaren voor kookhuis op de zeilschepen diende.

WAN, z. nw., m. (niet vr.). — Z. Wdb.. C. S.

Spr. : Oortn gelijk een wan. Een eur (uier) gelijk een wan.

WAN. WANNE, z. nw., vr.. — Joanna verkort.

— Wannemoei, moei Joanna.

WANDEL, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Wij zeggen op wandel zijn, of wandel gaan. T. R.

WANDELEN , werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. Wdb..

— De wandelende Jood, i° le Juif errant, 2° iemand die veel op reis is en nu eens in de eene dan in de andere streek verblijft. C.

•Bij T. wandeljood.

WANDELING, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Het geld is een wandeling, is gemaakt om van de eene hand in de andere te gaan.

WANG, z. nw., vr.. = (Schrijnw.) Ieder der twee lange buitenstukken van den trap waar de treden ingewerkt zijn. C.

= (Schrijnw.) Ieder van de twee buitenstijlen . waar de treden of sporten eener ladder in vergaard zijn. C. "

— In de beteekenis koon , kent het volk dat woord niet ; altijd bezigt men kaak. Nochtans kent men , door de boeken, de spr.: zout en zwart brood maakt de wangen rood.

WANNE, z. nw., vr.. — Z. Wan, 2°. D. S.

_ WANNEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

(Brouw.) Mout wannen, de droge scheut van het

mout scheiden.

WANNE(NLAPPER, z. nw., m.. = Man die bij de boeren rondgaat om de wannen te lappen. 3 C.

WANNES, z. nw., m.. — Joannes verkort. C. R. Ook Wannus.

^ — Wannesoom, oom Jan.

i WANNUS. z. nw., m.. — Z. Wannes.

Sluiten