Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WASS(CH)EN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Gep. woord. : Wasschen en plassen. Iemand zijnen bol wasschen. Z. Bol. De kat heeft u gewasschen. Z. Kat.

— tusschenv.. = Gewasschen worden. C. D. Lijnwaad wascht schooner als baaikatoen.

WASSMELTER, z. nw., m.. — (Biem.) Toestel dienende om het was in te smelten.

WASWAFEL, z. nw., vr.. = Biem.) Dunne wassen plaat in den vorm eener wafel. De was wafels zijn de grondvormen der raten.

WASWAFELVORM, z. nw., m.. = (Biem.) Toestel waarin men de waswafels vormt.

WAT, voornw., bijv. nw., bijw. en tusschenw.. — Z. Wdb..Wat is er ? Wat man is dat? Wat al fouten in dat opstel ! Ik zie wat. Geef mij wat suiker. Hij bleef wat rusten. Wij zijn wat gelukkig ! Wat is 't vandaag koud ! Wat lacht ge toch ? Wat ! komt hij niet ?

Spr. : 't Zal wat zijn , heeft het wat geweest, de zaak waar gij zooveel van verwacht, zal op weinig of niets uitloopen.

— Wordt dikwijls, uit spot of minachting, op personen gezeid. R. Met wat hij trouwen gaat ! Wat er mij tegenspreken durft !

WATER, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo nat als water. Water in den mond krijgen, waterbekken. Veur een ander in 't water springen, zijn eigen ongeluk voor een ander bewerken. Het water naar de zee dragen, aan iemand iets geven wat hij in overvloed heeft. Geld in 't water smijten, nutteloos verteren, 't Is hoog water, op iemand die gaat weenen. Stille waterkens hebben diepe gronden. Het water loopt altijd naar de zee, geld wil bij geld zijn. Tusschen twee waters zwemmen twee tegenovergestelde partijen willen voldoen, 't Is water, in 't spel, als ieder partij eens gewonnen en eens verloren heeft. Water en wind maakt schoon al wat ge vindt. Als de ganzen water zien, hebben zij dorst. Als er geen water meer is, kent men de weerde van den put. Hij is deur alle waters gezwommen, behalve in 't schoon of in 't schoon eerst, 't is een deugniet. Eer dat gebeurt, zal er nog veel water deur de Schelde of onder de brug of ten dale loopen, dat zal nog lang aanloopen. Dat zijn slagen onder 't water, bedekte verwijten. In de eene hand wateren in de andere vier dragen. Z. Vier. Het water van zijnen meulen jagen, tegen zijn voordeel handelen, 't Een is koud water en 'tander vier, die zaken strijden heel en gansch. Niet kunnen verdragen dat de zon in 't water schijnt, afgunstig zijn. Gods water over Gods akker laten loopen. Z. God. Leven gelijk een visch in't water, zonder kommer. Het handeken boven water hebben. Z. Hand. Water in zijnen wijn doen, toegeven.

— Zijn water maken, pissen. S. R. WATERACHTIG, bijv., nw.. — Veel van water houdende. C. D.

WATERBERD , z. nw., o.. = (Schrijnw.) Schuinsche plank van onder aan eene buitendeur om het water of den regen af te leiden. C. S.

Ook waterberd.

WATERBEDERVER, z. nw., m.. = Brouwer die slecht bier maakt, al schertsende.

WATERBEKKEN, werkw., onov. (hebben), onsch.. = Watertanden. V. D. Hij zag 'nen appel liggen en hij waterbekte om hem te hebben.

WATERBERD, z. nw., o.. — Z. Waterbard.

WATERBLAD, z. nw., o.. = Buitenluik. S. 't Is donker, ge moet de waterblaren toedoen.

WATERBLOM, z. nw., vr.. — Z. Koekoeksblom en Paddelisch.

WATERBOOT (scherpe o), z. nw., m.. = (Vlas) Groene bundel vlas. Men maakt gewoonlijk drij waterbooten uit éen wisch.

WATERBORSTEL, z. nw., m.. = (Kruidk.) Kaarde, Dipsacus fullonum, cabaret des oiseaux, cardère, fam. Dipsac..

Ook wijwaterborstel en wijwaterpot.

WATERBOTERBLOM, z. nw., vr.. — Z. Boterblom, 3°.

WATERBREMSCHEER, z. nw., vr.. — Z. Bremscheer.

WATERDUVEL , z. nw., m.. = Insect, Dytiscus marginalis, Dyt. piinctulatus en Hydrophilus piceus et caraboïdes. C.

— = Jongen die altijd dicht bij 't water speelt.

WATEREN, werkw., onov. (zijn). — De melk is gewaterd, als de pot te lang aan 't vuur staat en alzoo het water te veel afgescheiden is.

WATERGAL(LE), z. nw., vr.. = Heldere gal, pituite. V. C. D. K. bilis.

WATERGANG, z. nw., m.. — Z. Lee. D.

— (Schipp.) Watergangen leggen, gangen halen of maken, laveeren.

Spr. : Watergangen leggen, van dronkenschap al zwijmelende over de straat gaan. Dat ligt met watergangen, van de grond gezeid, niet effen, met kleine hoogten.

WATERGA RIS, z. nw., o.. = Kruidk.) Juncus bufonius, sabbinéa feuilles tenues , fam. Juncac. C. D. geeft er paddegars voor.

Ook waterspurrie.

— Z. Rietgars.

WATERGAT, z. nw., o.. = (Ziekte) Opgeblazen aars. Het watergat is een ziekte van de kiekens.

WATERGRES, z. nw., o.. — Z. Eenzekruid.

WATERHOND, z. nw., m.. = Jongen die geeme rond of in het water speelt, waterrat.

Sluiten