Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WATERSCHIP , z. nw, o.

Z. Waterotter.

WATERSCHIP, z.nw.,o.. = (Kruidk.) Silphium perfoliatum, silphium perfolié, fam. Comp..

WATERSCHOF, z. nw., o.. --= (Dijkw.) Schof

eener sluisdeur.

WATERSCHOP, z. nw., vr.. = (Dijkw.) Schop gelijkende op de modderschop, maar grooter van blad.

WATERSCHOU(W), bijv., nw.. = Waterschuw.

— Wordt al schertsende ook gezeid van iemand die zich zelden wascht.

WATERSCHUIT, z. nw., vr.. = (Schipp.) Schuit die alleenlijk zout water vervoert.

Bij V. : schuit tot aanvoer van drinkwater.

WATERSJALK, z. nw., vr.. = (Schipp.) Sjalk die zout water vervoert.

WATERSLAG, z. nw., m.. = Reeks helderklinkende noten in den zang van den nachtegaal. C. D.

WATERSLOT, z. nw., o.. — Komt voor in 't raadsel op den doortocht der Roode Zee ; Een houten sleutel,

Een waterslot,

De(n) haas er deur,

En de jager in 't kot.

WATERSMERT, z. nw., vr..— Z. Waterrotsil. D.

WATERSOEP, z. nw., vr.. = Slechte, zeer dunne, zeer flauwe soep.

WATERSPOOK (met zachte, ook met scherpe o), z. nw., o.. = Ingebeeld wezen, spook dal des nachts de keerskens van de koningskinderen uitblaast !

WATERSPURRIE, z, nw., vr.. — Z. Watergars, C.

WATERSTRAAT, z. nw., vr.. = Straat die gewoonlijk onder water staat.

WATERSTRUIK, z. nw., m. mehen.

■ Z. Torenblom-

WATERWIJM, z. nw., vr.. — Z. Hingstwijm.

WATERZAK, z. nw., m.. = Ziekte dei' konijnen waardoor zij zeer dik van buik worden. K..hydropicus.

Bij S. waterbalg.

— — Konijn dat den waterzak heeft.

— = (Boer) Kalf dat eene groote pens heeft en niets te drinken kreeg dan gewaterde melk.

— = Gekookte aardappel die week en waterachtig is. C. D.

WATERZEIL, z. nw., o.. = (Schipp.) Vierkant zeil dat men onder de walenschepen uitspant, om

door het vloeien van het water , sneller vooruit te varen. V.

Deze waterzeilen zijn hedendaags maar weinig meer in gebruik.

WATERZOG, z. nw., o.. = (Verlosk.) Eerste zog na de verlossing.

WATERZOO, z. nw., vr.. = Deel kleinen visch , ondereengekookt en als soep opgediend. C. D.

WATTE, vrag. voornw. en tusschenw.. = Wat ? C. Watte ! wilt ge dat niet doen ?

WAUTER, z. nw., m.. — Z. Hannewuiten.

— Spotnaam, onnoozele , dwaze.

WAZISCH, bijv. nw. enbijw.. = Van Waas. De Doel spreekt niet geheel en gansch op zijn Wazisch meer.

WE(D)ER, z. nw., o.. — Z. Wdb...

Spr. : Van zure weeren weerkeeren, bekeven worden. In zijn weer zijn. Zijn weer hebben, genoegen hebben ; — hij heeft zijn weer, als hij kan plagen. Schoon weer spelen met andermans geld. Z. Schoon. Dat zal overgaan gelijk het slecht weer, op eene voorbijgaande kwaadheid enz." gezeid. Op iets of iemand zooveel staat maken als op het weer. Zoo veranderlijk als 't weer. 't Is spijtig dat schoon weer schade doet Z. Schoon. De brievendrager moet deur alle weer en wind. Het is geen weer om 'nen hond deur te jagen, zeer slecht weer, bijzonderlijk als 't sneeuwt of fel regent. Loopende wind is staande weer.

WEiDlEREN, werkw., onov. (hebben). — (Biem.)

Voor en rond de woning vliegen en eenige kringen in de lucht maken om zich te verluchten en zich te reinigen. De bieën wederen. Dit gebeurt bij zonneschijn als de bieën, nadat zij door koude of slecht weder eenige dagen of weken binnengebleven hebben, hunne eerste vlucht nemen. Als er honing te halen is, wederen zij niet lang.

WE(D)ERMAKER, z. nw., m.. — In de uitdrukk. : De wedermakers zijn op hunnen post, het is goed, voordeelig , gewenscht weder. De wedermakers zijn niet t'huis, het is slecht, ongunstig weder.

WEDOUW (zachte e), z. nw.,m.. — Z. Wiedouw. O.

WEDOUWWIJN, z. nw., vr.. — Z. Wiedouw.

WEEAKKER, z. nw., m.. = Akker die moet gewied worden.

WEEBAAS, z. nw.. m. = Wiedbaas.

WEEBROEK, z. nw., vr.. = Versleten broek die men aandoet om te wieden.

WEE(DE), z. nw., vr.. = Wiede, D. S. O.

Spr. : Als de lichtmiskeerskens gaan deur de sneeuw , gaan de koehens vroeg naar de wee.

Sluiten