Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WEG. z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Ge weet den teeg en kent de taal, ge kunt voort zonder iemands hulp. Naar den bekenden weg vragen, vragen naar wat men goed weet. De verre ireg maakt den moeden knecht. Veur iets geenen voet uit zijnen weg gaan, er geen de minste poging toe aanwenden ; er zich niet aan gelegen laten. Lang onder den weg zijn, lang wachten , van personen en zaken. Hij zal zijnen teeg maken, in de wereld vooruitkomen. Iemand iets in den ireg leggen, iets doen dat hem kwaad maakt of hindert. Zoo ook iemand geen stroot in den weg leggen. Er is iets in den weg gekomen, er is eene hindernis ontstaan. Dat is de kortste, de zekerste weg, het beste middel om het 'doel te bereiken. In iemands weg loopen, niet gezocht . niet bemind worden. De teeg is niet opgegraven. Z. Opgraven.

— Op teeg zijn wordt stoffelijk en zedelijk gebruikt. C. S. R. Hij is op weg naar Gent. Hij is op weg om een groot man te worden.

— Weg kunnen met iemand of met iets, middel weten om iemand te geleiden en te doen gehoorzamen , of om iets moeilijks te verrichten. C. D. S. T. R. De meester zal weg kunnen met uwen jongen. Ik kan geenen weg met die potten en pannen, want mijn hand is stijf. Met zijn eigen geenen weg kunnen van de danige onrust.

— Geenen weg kunnen, niet uit de voeten kunnen, niet wegkunnen, geene ruimte genoeg hebben. C. R. Ik kan geenen weg van 't rhuniaties. Hij kost geenen weg, want de zaal zat vol volk.

— Weg weten met iets, weten waar met iets blijven. C S. T. Weet gij weg met al die boeken ? Ja , want ik heb drij bibliotheken, anders zou ik er zeker geenen weg mee weten.

WEGBLAZEN, werkw., overg.. — (In het biljartspel) Een bilie wegblazen, van de plaats waar de bilies op loopen, in de laagte daarnevens schieten.

— = Met de minste moeite verplaatsen. Ei ! ei ! ge zijt maar 'nen turf hoog, ik kan u gemakkelijk wegblazen.

WEGBOTTEN, werkw., onov. (zijn). -- Wegstuiten. C. De bal is op de muur weggebot. De bijl bot op eekenhout dikwijls weg.

WEGDEINEN. werkw.,onov. (zijn). = Stillekens, in 't geheim heengaan.

WEGDOEFELEN, werkw., overg.. = In 't geheim wegsteken. Doefel dat brood weg onder uwen kiel.

WEGDOEN, werkw., overg.. = Wegleiden , wegvoeren. Ze hebben den dief weggedaan.

WEGDRUMMEN, werkw., overg.. = Wegdringen , al drummende wegdrijven. D.

— onov. (zijn). = Stil heengaan. Hij is weggedrumd. zonder iets te zeggen.

WEGDRUPPEN, werkw.. onov. (hebben). — Z. Af druppen.

"WEGDUIKEN, werkw., overg.. ------ Verbergen.

Ge moet u niet wegduiken, want, ze weten waar ge zijt.

WEGE. — Van ivege. Z. Wegens. R.

WF1GEL. z. nw., m.. = Kleine weg. D. S. K. semita transversa.

Zuidned. bij V..

Spr. : Gezet zijn gelijk een pint op 'nen gladden K'igel, in een moeilijken toestand verkeeren.

WEGEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Wegen gelijk lood, gelijk een pluim.

WEGENS. — Van wegens, in zake van, aangaande. Van markt wegens, heeft Sint-Niklaas wel den eersten prijs.

WEGFLIDDEREN, WE GF LX TT ER EN, werkw., onov. (hebben). = Vluchten, wegsluipen. De dieven zijn tusschen het volk weggeflitterd. S.

WEGFOEFELiEN. werkw., overg.. = Haastig verbergen, rap wegsteken. C. D. S. T. Hij foefelde den brief weg onder zijn vest.

Bij R wegfoffelen.

WEGFOKKEDEEREN (klemt, op dee), werkw., onov. (zijn). = Zich van kant maken, haastig wegloopen.

WF1GFUNZEN, werkw., overg.. = Rap wegnemen. Hij funsde een taartje van de tafel weg.

WEGGEj. z. nw., vr.. Wig, spie. D. K. cuneus.

WEGGERAKEN. werkw., onov. (zijn). — Wegraken , heenraken. Ik raakte maar moeilijk weg uit die zaal van het overtollig volk.

WEGHALEN, werkw., overg.. = (Schipp.) Verhalen, van zijne plaats naar eene andere halen. Zijn schip weghalen.

WEGHEBBEN, werkw., overg.. — Het weghebbev, i° verstaan , D. S. ; 2°gelooven , van leugens gezeid. Hij heeft het weg, de sul !

Bij V. : onpasselijk zijn ; ook, in de hersens gekrenkt zijn.

"WEGHELPEN, werkw., overg.. —Z. Wdb..

— = Eten. Een teiloor patatten weghelpen.

— = Verteren , verkwisten.

WEGJASSEN. werkw., overg.. = Wegjagen. C. De zoon werd weggejast van zijn vader.

Ook wegsjassen.

WEGKETSEN , werkw., overg.. = Wegjagen , verdrijven. C. D. S. Ketst al dat klein volksken maar weg.

— onov. (zijn). = Wegloopen. D. T. R. Ik heb dien dief langs 't veld zien wegketsen.

91-

Sluiten