Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Van de(n) werk(e) gaan , in eene verkeerde richting. S.

Bij D. van den werke weg.

— Bij de(n) wcrk(e), bij der hand , in de nabijheid. D, Breng wat hout bij den werk, want ik ga stoken.

— Werk hebben, bezig zijn. Aan die kas zal ik niet lang werk hebben. Ik had lang werk aan het

■ Idioticon.

— fVerk zijn. duren. Hoelang is het werk dien hof te spitten ? Dat zal drij dagen werk zijn.

— Te werk gaan, groot misbaar maken. C. S. R. Hij ging te werk gelijk een bezetene.

— (Boer) Ten halven werk inegen. met de noesche eg. Het raapzaad wordt ten halven werk ingeëegd.

— (Boer) Ten vollen werk inegen, met de reclitsche eg. De kleine rapen worden ten vollen werk ingeëegd met den vierbalker of met de steerteegde.

-— In 't volle van 't werk, ten tijde dat er volop werk is. T. R.

— Geinen slag werk hebben , volstrekt zonder werk zijn. R.

— Z. Kalfaatwerk.

— = Afval van gehekeld vlas, c'toupe. D. K. lini stupa. O.

Spr. : Kwaad werk moet ook gesp07inen worden, wordt gezeid van eenige noodige daad die lastig is om verrichten,

WERKBANK, z. nw., vr.. = Houten plank waar de bakker de brooden op kneedt. V..

WERKBLOK. z. nw., m.. = (Mandenm.) Plank met een blok er onder waar de mandenmaker vóór zich de mand op plaatst.

Bij C. werkplank.

WERKDINGEN, z. nw., o.. = Werkkleederen. C.

WERKEN, z. nw., o., meerv.. = Grondwerk, schuierij. Naar de werken gaan. Heel den Zomer in de werken zitten.

WERKEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Spr. : Werken en slaven, werken en wroeten. Werken is zalig, zei de beggijn, maar ze deed het noo. Werken gelijk een slaaf, gelijk een peerd. Werken lijf sta bij, zeer hard.

— = Verduwen, D. Mijn maag werkt niet.

— overg.. = Bewerken, kneden. K. depsere. Deegwerken. Zij is bezig met zout in de boter te werken.

— Werkende mensch, werkman. C.

WERKENDAAGSCH, bijv. nw.. == Werkdaagsch. Mijn werkendaagsche broek.

Bij C. 's werkendaagseh.

WERKENDAG, z. nw.., m.. = Werkdag. C.

WERKKUIP. z. nw., vr.. = (Brouw.) Kuip waar men hel mout in bewerkt. C.

WERKSTAL. z. nw., m.. = Werkhuis.

WERKSTER. z. nw., vr.. = (Biem.) Werkbie , kleine bie die honing en andere zelfstandigheden haalt en al het werk in den korf verricht.

WERM, bijv. nw. en bijw.. — Z. Warm, met de aldaar afgeleide en samengestelde woorden. K.

WERREL, z. nw,, m.. — Z. Warrel.

— In den werrel zijn, in den warrel, verward zijn.

WERRELEN, werkw., overg.. — Z. Warrelen en de aldaar afgeleide en samengestelde woorden.

WERT, z. nw., vr.. — Z. Wart. C. S. K. verruca.

WERVELNAGEL,, z. nw„ m.. = (Kuip.) Nagel dien men bezigt aan den wervel der kern.

WESTEN, z. nw., m. eno.. — Z. Wdb.. R.

Bij T. m..

WESTERLING, z. nw., m.. = (Schipp.! Vrachtschip dat op de binnenwaters vaart en gesleept of getrokken wordt. Zijn kop is scherp en steekt over het water vooruit.

WET. z. nw., vr.. = Politie ; parket. C. S. R. De wet kwam om de vermoorde vrouw te onderzoeken.

— Iemand wetten stellen, bevelen , gebieden, verbieden. Daar heeft mij hier niemand wetten te stellen.

WETEN, werkw., overg.. — Z. Wdb.. Geenen raad weten. God weet waar hij zit. Weet ge wat ? Hij wilt niets van u weten. Hij had veel wijn gedronken , maar hij wist er niets van. Hij weet met iedereen om te gaan.

Spr. : Zooveel van iets weten als de steenen, als de uur van zijn dood, volstrekt niets. Niet weten waar zijn kop staat. Z. Staan. Niet iveten waar (niet hoe) men het heeft, in de omstandigheden, den toestand waarin men verkeert, niet thuis zijn. Ge zult weten aan wat prijs, hoe laat of wat uur het is. Z. Prijs en Laat. Van iemand of van iets weten te spreken, bij onondervinding kennen. Iemand ik weet niet wat doen, hem duchtig onder de handen nemen. Welen van iets, i° er kennis van hebben, C. T. ; 2° er door beschadigd , gehinderd worden , C. D. R ; 3° aan iets onderhevig zijn. C. Mijn nieuwe hoed weet al van den regen ; hij weet veel van de hoofdpijn ; ik wist niets van heel die historie.

— Niet weten van, niet kunnen. Hij weet van geen uitscheeden, als hij eens aan 't klappen geraakt.

— Veel of weinig in iets (niet van) weten, veel of weinig aan iets gevoelig zijn, er door getroffen zijn. D. Zijn moeder is gestorven, maar hij schijnt er weinig in te weten.

Enkel in zedelijken zin gebezigd. Stoffelijk gebezigd, heeft het van niet in tot voorzetsel. Hij had veel wijn gedronken , maar hij wist er niets af. Achter weten, wordt de voorwerpszin met waar, die den toestand van het voorwerp aanduidt, door de onbepaalde wijze vervangen. C. Ik weet eenen

Sluiten