Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— z. nw., m.. = Verward geheel, warboel. Heel de streng is éen wirreldewarrel.

WIRRELEN, werkw., overg.. — Komt voor in de gep. woorden wirrelen en warrelen, gansch in de war brengen. Al het garen is gewirreld en gewarreld.

WIS(CH), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spï. : Krinkelen, u wringen gelijk een wisch. Zoo taai als een wisch.

— Wisch vlas, bundel ongereept vlas ; bundel gedroogd vlas.

— Wisch blokken, dertien paar blokken aan eene wisch of koorde opeengestapeld.

Bij C. wis.

WIS(CH)BLOM, z. nw.. vr.. — Z. Sint-Janskeers.

WIS(CH)HAAK, z. nw., m.. = (Stroodekker) Lang ijzer met een haaksken dienende om de wisch door te halen.

WISS(CH)EN, werkw., overg.. — (Blokm.) Blokken wisschen, ze aan eene wisch of eene koorde opeenstapelen.

WISSEL, z. nw., m.. = (Dijkw.) Plaats gewoonlijk uit vier of vijf nevens malkander liggende planken bestaande, waar de eene werkman den kruiwagen aan den anderen overgeeft. Als de afstand van de ladingsplaats tot het stort of de losplaats tamelijk ver is en het vervoer noodzakelijk op twee handen moet geschieden, legt men op 3o passen afstand (3o meters ongeveer) eenen wissel.

WISSELJAGER, z. nw., m . = (Wever) Jager langs den kant van het schof waar men gemakkelijk mee kan verwisselen van schietspoel.

WIT, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Ze zijn er zoo dun als de witte hazen, als de icitte raven. Zoo wit als sneeuw, als melk, zeer wit. Zoo wit als een zon, helder. Zoo wit als een duif. zeer grijs. Zoo wit als de dooi. als een lijk, als een doek, zeer bleek. Ik kan geen wit op zwart zeggen, kan niet tegen mijne meening spreken.

— Wordt in verscheid, uitdrukkingen gebezigd om vriendschap uit te drukken. C. T. R. 't Is wit tusschen die twee. Met iemand wit staan. levers staan met witte voeten, 't Is overvloed van wit. Al te wit is gauw vuil, te groote vriendschap duurt soms niet lang.

WITAAR (klemt, op wit), z. nw., vr.. = (Boer) Tarwe met witte aren.

WITBEEN, z. nw., m.. = (Boer) Boekweit die onder aan den stam wit is.

WITGAT, z. nw., o.. — Z. Boschbie.

WITGATJE, z. nw., o.. — Z. Kerkzwaalm. C. D. S.

— = (Vogel) CEgialitis dubius, petit pluvier d collier. C.

WITGOED, z. nw., o.. = Ongeverfde weefsels, zooals katoen, lijnwaad , enz.. C. D. S. T. R.

WITHEER, z. nw., m.. = Kloosterling die een wit habijt draagt. C. S. T. R. De kanunniken van Averbode zijn witheeren.

WITHOUT, z. nw., o.. = Espenhout. Die stoel is van without gemaakt.

WITJE, WITTEKEN, z. nw., o.. = Zilveren stuk gelds.

WITLOOF, z. nw., o.. = Loof van suikerij , in het najaar in den grond gelegd om wit te worden en als groensel of salade geëten te worden. C. S. T. R.

WITSELKODDE, z. nw., vr., WITSELSTOK, m.. = Stok waar men den borstel op bindt om de muren te witten.

WITSTEERTJE, z. nw., o.. = (Vogel) Saxicola cenanthe, motteux cendre.

WITTE, z. nw., m.. = Aardappel met witte schil. De Gentsche witte zijn zeer goed.

WITTEBLOMMEN. z. nw., vr., meerv.. — Naam van 't vlas dat witte bloemen draagt. Eene tweede soort heet blauwblommen.

WITTEBROOD , z. nw., o.. — Z. Wdb.

Spr. : Hij heeft zijn wittebrood eerst geëten , was vroeger gelukkig , welvarend.

WITTEBUIKEN, z. nw., m., meerv.. — Tamelijk groote kersen met eene witte vlek op de eene zijde.

Bij C. witbuiken.

WITTE HEEMST, z. nw., m.. — (Kruidk.) Heemst, Althxa officinalis, guimauve, fam Malvac.. D.

WITTE KERSTROOS, z. nw., vr.. — Z. Blom van 't Kindeken Jezus.

WITTE KNOPKENS, z. nw., o., meerv.. — Z. Hemdsknopkens.

WITTEKOP, z. nw., m.. = Hoofd met wit, vlasblond haar. C.

= Iemand , vooral een knaap die zulk haar heeft.

In mijn klas zitten vier wittekoppen.

— = Duif met een witten kop.

WITTE MARBOLLEN, z. nw., m., meerv.. — Z. Eiboomken.

WITTE MEIROOS (scherpe o). z. nw.. = (Kruidk.) Balroos, Vibumum opulus, var. Sterilis, boule ie neige.

WITTE MOES, z. nw., m.. = (Kruidk.) Filago germanica en F. arvensis, perlière laineuse, fam. Comp..

WITTE PIJPEN, z. nw., vr., meerv.. — Z. Blauwe pijpen en Beiaard.

Sluiten