Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZAAGVAT, z. nw., o,. = (Kuip.) Open vat waarop men de duigen op lengte kort.

ZAAIEN, werkw., overg.. —Z. Wdb..

Spr. : Ce moet zaaien naar den zak, de uitgaven regelen naar de inkomsten.

— Zaaiende land, land dat geploegd en bezaaid wordt. D. S.

ZAAIER , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Een dikke zaaier heeft geen groote schuur vandoen. Een dunne zaaier is een dikke maaier.

— Z. Kiet.

ZAAIKLEED. z. nw., o.. = Groote voorschoot, om uit te zaaien. C. D. S. R.

ZAAILINGEN, z. nw., m., meerv.. = Soort van fijne aardappels die vóór de plaag veel geplant werden , maar sedert bijna uitgestorven zijn. D. T. R.

Er zijn roode, witte en bonte zaailingen.

ZAAITIJD, z. nw., vr.. = Hoeveelheid lands door eenen boer bezaaid of bebouwd. Die boer heeft een groote zaaitijd. Aan die hofstede is maar een kleine zaaitijd.

ZAAK, z. nw., vr.. — Z. Wdb.. Zijn eigen zaken doen. Dat is de zaak der politie. Hoe staan de zaken ? Ik zal u de heele zaak vertellen. In zaken van godsdienst. Geduld is een schoone zaak.

Spr. : Die zijn zaken klapt, is zijn winste beu.

— Is 't zake, indien, ingeval. C. D. S. R. K. si. O. Is 't zake dat hij misdaan heeft, dan zal hij gestraft worden.

— Ook is 't van tzake. Is 't van tzake dat hij niet naar huis komt, dan moet ge hem gaan zoeken.

— Met tets of met iemand zaken hebben, er zich mede bemoeien. C. Hebt gij daar zaken mee ? Dat ik van huis ga, daar hebt gij, knecht, geen zaken mee.

Alleenlijk ontkennend en vragend gebezigd.

— ™ Questie , punt dat betwist wordt en te beslissen is. C. D. De zaak is niet wanneer het gebeurd is, maar wie het gedaan heeft.

ZAAL, z. nw., m. (niet o.). — Zadel. C. T.

Bij C. m. en vr. ; bij T. m..

Spr. : Dat gaat. past u gelijk een zaal op een koe.

ZAALRUG, z. nw., m.. = Zadelrug. C.

Wordt niet alleenlijk van de peerden, maar ook van de koeien gezeid.

ZAANPOT, z. nw., m.. = (Boer) Groote aarden pot waar men de melk laat in ronnen.

Spr. : Een kop gelijk een zaanpot, dikke kop.

Ook zonpot.

ZAAT, z. nw., vr.. = Plaats waar een haas ligt.

— — Zitsel van eenen stoel, plaats waarop men zit. D. S.

Zuidned. bij V..

— Plaats waar blokmakers en schrijnwerkers hunne boomen leggen.

— = Scheepstimmerwerf. C. S. K. statio, portus, natale. Het schip is naar de zaat.

Zuidned. bij V..

ZAATHOUT, z. nw., o.. = (Schipp.) Zeer dikke plank die in het midden van een houten schip op de liggers vastgewerkt is om deze te verbinden. V..

ZABBEREN, werkw., onov. (hebben). = Zachtjes en aanhoudend aan iets zuigen. C. S. T. R. Hij zabbsrt al een half uur aan een kopken kaffee.

— = Drinken of dunne spijs eten met het bijdenkbeeld van afkeer verwekkend. C. T. R. Ik drink niet van een glas waar iedereen aan gezabberd heeft.

— eenp. (hebben). = Stofregenen. C. S. Het heeft vandaag heel den dag gezabberd.

ZACHTE DISTEL, z. nw., m.. — Z. Witselborstêl.

ZACHTE PAP, z. nw., m.. —Z. Kroezelvuil.

ZAGHTGAWEG, ZACHTWEG, ZACHT JES'WEG, bijw.. — Leg dat ei zachtjesgaweg in den korf, anders breekt ge 't nog.

ZAGEMAN, z. nw., m.. = Zaniker. C. S. R.

Zuidned. bij V..

ZAGEMEEL, z. nw., o.. = Zaagmeel. C. S.

Spr. : 't Zal wel uitkomen, zei de zot, en hij zaaide zagemeel, scherts , van die zaak zal niets voor den dag komen.

ZAGEMENT, z. nw., o.. = Gezanik, gedurige herhaling van hetzelfde gezegde.

ZAGEN, werkw., onov. (hebben). = Altijd van hetzelfde spreken , zaniken. C. D. S. Hij doet niets anders als zagen om weg te meugen gaan.

Zuidned. bij V..

ZAGENTREKKER. z. nw., m.. = (Timm.) Klein ijzer met kerven, dienende om de tanden der zaag in en uit te plooien, zagenzetter. C.

Bij D. zaagtrekker.

ZAGER , z. nw., m.. — Z. Zageman.

— Z. Zaagbek.

ZAGERIJ, z. nw., vr.. —Z. Wdb..

— = Gezanik, vervelend gepraat.

ZAGGE, z. nw., vr.. == (Kruidk.) Zegge, Carese, laiche. fanÈ Cyperac..

ZAK , z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Dat steek ik in mijnen zak, dat zal ik onthouden. Iemand in zijnen zak hebben , goed kennen. Twee natte zakken kunnen malkander niet droogen, een slechte kan eenen slechte niet beter maken. Iemand m den zak steken , bedriegen. Den lesten man of ezel den zak opgeven. Z. Man. In 't koopen moet ge uw oogen of uwen zak opendoen. Op zijnen zak zitten , moeilijk geven , gierig zijn. Iemand opschrijven vèuy een hemd met zakken , niet tellen. Hij is in 'nen zak

93.

Sluiten