Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Staan zien, verwonderd zijn. C. Hij zal staan i zien, als hij dat hoort.

Spr. : Slaan zien gelijk een hond op een zieke koe, r dom, verwonderd.

— Zien op, er nauw op uit zijn , uit gierigheid. C. D. S. T. Als ge iets wilt koopen dat goed is, meugde op geen vijf frank zien. Die smous, hij i ziet op een halfken.

Er op zien, op de moeite zien, zich de moeite niet

kunnen of willen geven. Ik zie er op van mijn hand uit te steken , zoo moe ben ik.

— Zien te, trachten. V. C. D. T. Ik zal die plaats zien te krijgen.

Naar iets of iemand niet zien, niet ontzien. R. Mijn ;

vader is tegen mijn houwelijk, maar daar zie ik niet naar.

Ik zie mij ik voorzie dat ik.... Ik zie mij niet oud

te worden. Ziét ge u vandaag gedaan te hebben? Bij C. : « ik zien 'em nie oud wörren. »

— Schijnen , een uitzicht hebben. V. D. Hij ziet

mij niet gezond.

— = Zijn. V. C. Hij ziet zoo rood alsof hij de helle geblazen hadde.

Zien gelijk, minachtend antwoord op een dom

gezegde. Die plant die daar staat is een zeekool. — Ge ziet gij gelijk een zeekool.

— 't Regent, 't sneeuwt, enz., of't ziet er naar, 't houdt haast niet op van regenen , sneeuwen , enz..

— Ziende blind zijn, oogen hebben en niet zien. V..

ZIEN, z. nw., o.. = Sterre, spiegel der oog, prunelle. D. O. Het zien van de oog.

Ook zier.

ZIENDELIJK, bij v. nw., .—— Zienlijk, aan te zien. I 't Is niet ziendelijk hoe hij deur dien'hond gebeten is.

ZIENDELINGS, bijw.. — Ziende. U ziendelings laten bedriegen.

Spr. : Ziendelings in 't water loopen, zich zeiven vrijwillig ongelukkig maken.

ZIEP, z. nw., vr.. = Vest. S.

— = Maag, buik. Z. Jip.

Bij C. Zip en zjip . bij S. ook zipe en zip.

ZIER, z. nw., o.. — Z. Zien.

ZIER. z. nw., o . = (Spinst.) Plaats waar in het garen een knobbel is. Die niet altijd evenveel van den rok laat , spint zieren.

ZIEREN, werkw., onov. {zijn). — Knobbelen, ongelijk dik zijn, van draad. Het garen is gezierd.

ZIFT. z. nw., o.. = (Balspel) Balnet. Ze spelen met den kleinen bal op een zift.

Spr. : op geen zift spelen, op geen kosten zien.

ZIFTELINGEN, z. nw., m., meerv.. Ziftsel, wat bij het ziften door de zeef vallen. Men zift soms de lemen met eenen splenter en de ziftelingen worden op het gras gestrooid.

ZIJ, bezitt. bijv. nw.. = Zijn. C. Zij vader. Zij geld. Z. Spraakl., bl. 28, nr 26.

ZIJ. z. nw., vr.. = Zeef, klein koperen of haren ziftje waar men de melk laat doorloopen, couloir. S. T. R. O.

Bij D. zijde.

ZIJ, z. nw., vr.. - Z. Wdb..

De zoute zij van eenen zeedijk is de zijde van den dijk langs het water.

De zoete zij is de zijde die langs het land gelegen is.

Men zegt ook zoute kant en zoete kant.

ZIJBARD, ZIJBERD , z. nw., o.. = Bard dat op de kanten der karre vastgemaakt is.

Ook zijplank.

ZIJBEUK, z. nw., m.. = Beuk nevens den middelbeuk in de kerk. C. D. T.

ZIJ DE', z nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo zacht, fijn als zijde. Haar gelijk zijde.

ZI JlDEBLOM. z. nw., vr.. — (Kruidk.) Rhodanthe Manglesaii, rhodanthe, fam. Comp..

- (Kruidk.) Accroclinium roseurn en A . album, fam.

Comp..

ZIJlDE GAREN. z. nw, o.. = Garen van zijde gemaakt en dienende om de zijden stoffen te bewerken.

ZIJ(DEN)LINT, z. nw., o.. — Z. Gestreept lint. C. D.

ZIJEN. werkw., overg.. = Zijgen. De melk zijen. S. R.

Gewest, bij V.

Bij D. zijden en zien.

ZIJFLUIT, z. nw., vr.. = Fluit die men zijdelings

bespeelt. S.

ZIJG, z. nw., vr . — Z. Zij. S. K. colum.

ZIJLAT, z. nw , vr.. = Lat die aan de zijde, aan den kant van eenig werk gebruikt wordt.

ZIJLDER, pers. voornw.. = Zij. D. Hebben zijlder u aangesproken ?

Ook zulder.

Bij C. zijlie, zijle[n), zéllie, zellein), zöllie en zölle(n).

1 ZIJN, werkw., onov. {hebben). — Z. Wdb..

— Wordt in 't land van Waas en in gansch OostVlaanderen altijd met hebben vervoegd.

— Veel werkwoorden worden in het Waasland met zijn vervoegd, terwijl zij , volgens V., hebben tot

1 hulpwerkw. nemen. Z. veel werkw. met uit. Ik ben niet uitgeklapt.

Met zijn en een voorzetsel of een bijw., komen

talrijke elliptische uitdrukkingen voor, door het 't wegvallen van het werkw., dat met het voorz. of het bijw. eene samenstelling uitmaakte. Zulke zijn • 't is Op, 't is uit, 't is weg, 't is af, 't is aan, enz..

Sluiten