Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Veel dier uitdrukkingen hebben dikwijls eene eigenaardige beteekenis. De meeste daarvan werden op de plaats van het gebezigde voorz. ofbijw. aangehaald. Zulke zijn : er aan zijn , af zijn, binnen zijn, het is er op, enz..

— Er af zijn, zinneloos zijn, suffen. De man wordt oud en soms is hij er wat al'.

— Er uit zijn. uit de moeilijkheid zijn , voor de toekomst niet moeten vreezen. C.

Zoo ook er boven op zijn. C. D.

— Er in, er uit zijn, een goed, een slecht nummer getrokken hebben in de militieloting. C.

— Hij heeft er geweest, is dood. C.

— Alzoo zijn. Z. Alzoo.

Bij C. en R. zoo zijn.

— Zijn veur, genegen zijn voor. C. D. K. Ik ben veur geen oesters.

— Dat het zij dat het wil, wat er ook van zij, peu importe.

— Al was't, al ware't, desnoods, zoo noodig. Ik zou al ware 't naar Antwerpen te voet gaan om mijn gerief te vinden.

— Niet veel van zeggen, drinken. enz. zijn. niet gewoon zijn veel te zeggen, te drinken, enz..

— {En) waar zijn, ge hebt gelijk, 't is waar wat ge zegt. C. Ik blijf liever jong als met dien dronkaard te trouwen. — Waar zijn.

— Wordt in sommige zinnen voor antwoorden eenpers. gebezigd. C. D. R. Als ik hem sprak van betalen, dan was 't altijd ; ik en heb geen geld.

Bij D. in deversch. personen.

— Zijn in, gevolgd van den genitief der onbepaalde wijze , in eenen tijd zijn van veel of wel— In zijn etens zijn. Ik ben vandaag in mijn klappens niet.

Achter in worden dan veel hoedanigheidswoorden zelfstandig en telkens in den ouden datief gebezigd. In zijnen goeden, zotten, wijzen zijn.

Soms drukt men het hoedanigheidswoord niet uit. Hij is er weer in, (b. v.) in zijnen zotten.

ZIJNDE), z. nw., o.. — Z. Wdb.. Ieder 't zijne geven.

Spr. : leder 't zijn, dan heeft de kwade niets.

— Ieder zegt er't zijne over, zijne meening, zijn gedacht.

— Niet goed bij den zijnen zijn. zijn volle verstand niet hebben. C. S.

ZIJPEE, z. nw., m.. = Wortel ter zijde van den boom of van de plant.

ZIJPELACHTIG. bijv. nw.. — Zijpelachtig weder. wanneer er dikwijls stofregen valt.

ZIJPELEN, werkw., onov. {hebben). — Z. Sijpelen.

ZIJPEN, werkw., onov. {hebben). — Zijpelen, leken. D. Het water zijpt uit zijn broek. Uw broek zijpt van het water.

ZIJPEN, werkw., onov. {zijn). — Een hoe zijpt, wanneer van achter hare ruggraat merkelijk zakt. 't Is een goede beest, 't is spijtig dat ze wat zijpt.

ZIJPLANK, z. nw., vr.. — Z. Zijbard ZIJPREGEN, z. nw., m.. Langdurige fijne regen.

ZIJSCHEE(DE), z. nw., vr.. == (Wagenmaker) Ieder der dwarshouten waar de zijplanken van karre of wagen aan genageld worden.

ZIJSPIL, z. nw., vr.. = Groote tak, ter onderscheiding van den kop. C. D.

ZIJSTUK, z. nw., o.. = Kantstuk , plank , duig , enz., die aan de zijden, kanten van eenig werk verbruikt wordt.

ZIJTIJKEL, z. nw., o.. (Schipp.) Touw die op groote schepen gebruikt wordt en bestemd is om den mast recht te houden. Het zijtijkel is zijdelings van den mast in de boeiïng vastgemaakt en belet den mast bij hevigen wind voorover te hellen.

ZIJVOGEL, z.nw.,111., = (Boogschutter) Vogel die langs beide kanten der wip juist onder den oppervogel staat. C.

— = Onwettig kind.

— = (Kaartspel) De negen.

ZILLE. tusschenw.. — Z. Zullen.

ZILT, z. nw., o.. — Z. Zelt. C.

Bij D. en S. zilte.

— = Vochtigheid. sprek. van muren en huis. Het zilt staat 's morgens op de muren.

ZILT. ZILTIG, bijv. nw.. — Z. Zelt, zeltig. C.

ZILTACHTIG , bijv. nw.. — Z. Zeitachtig. D.

ZILTIGHEID , z. nw., vr.. — Z. Zeltigheid, C.

ZILVERDUIKER, z.nw.,m..= (Vogel) Poiiceps grisegena , grèbe a gorge grise.

— Kleine zilverduiker, Podiceps auritus, grèbe oreillard.

ZILVERING, ZILVERLING, z. nw., m.. = Schoone zomerappel met zilverwitte kleur. C.

ZILVERPLUVIER, z. nw., m.. = (Vogel) Squatarola helvetica , vanneau d ventre noir.

ZIN, i. nw., m.. — Z. Wdb.. De mensch heeft vijf zinnen. Van zijn zinnen beroofd zijn. Waar waren uw zinnen, als gij dat toestondt ? Iemands zin doen. Veel hoofden , veel zinnen. Zijn zinnen op iets zetten.

— Van zin zijn, van zins zijn. C. Ik ben dat niet van zin. Zijt gij van zin morgen te vertrekken ?

— Zinnen hebben in iets, zin, lust, trek toe hebben. Ik heb zinnen in dat huis. Hebt gij zinnen om mee te gaan ?

— Zinnen hebben in iets, iets als goed, als voordeelig aanzien , er iets goeds van verwachten. Onze zieke begint te hoesten, en daar heb ik geen zinnen in.

Spr. : Zooveel hoofden, zooveel zinnen. Ge zoudt er

Sluiten