Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uw zinnen van verliezen , uw verstand. Zijn zinnen op iemand zetten, er naar verlangen, 's Menscben zin is 's menschen leven. Kwaad in 't (den) zin hebben , een slecht inzicht hebben, kwaad willen doen. Zijn vijf zinnen niet hebben, niet goed wijs zijn. Van zijn zinnen gaan, zinneloos worden.

ZINGEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Wat nu gezongen ? zei de wuiten, en zijn muit stond in brand, of wat nu gezongen? zei de koster, en de kerk stond in brand, wat gedaan in dezen neteligen toestand ? Ergens gedaan hebben met zingen . er niet meer geacht, gezocht worden. Ik heb er daar twee te zingen gezet, twee pinten bier gedronken dieniet zullen betaald worden. Zingen gelijk een nachtegaal, gelijk een lijster. Van ongenoegen of ongenucht zingen gelijk pover op de sneeuw.

— onov. (hebben). — Z. Roepen. Bijgeloovige menschen beweren dat de bieën op Kerstnacht om 12 uren zitten te zingen.

ZINK, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb.. C. R.

ZINK, z. nw., m.. = Boog , gebogene lijn. 't Is een slechte afdrager die de steenen in zinken op de plek legt.

ZINKEN, werkw., overg.. — (Mets.) Nen pompput zinken, metsen.

— = Begraven. C. D. S. T. K. sepelire. O. Een lijk zinken. Wanneer wordt de burgemeester gezonken ?

ZINKING, z. nw., vr.. = Begravenis. C. D.

ZINKSTEEN, z. nw., m.. = (Dijkw.) Zware onregelmatige brokken steen , veelal arduinsteen , die op de oevers van eenen stroom geworpen werden om ze tegen het afkalven te bevrijden.

ZIT, z. nw., m.. = Zaat, zitting van eenen stoel. C. S. Van stoelen met biezen is de zit rap versleten.

— = Rug van 't kussen eens peerds.

— = Stoel, zetel. C. Daar was zooveel volk dat ik geenen zit niet meer vond.

ZITSEL, z. nw., o.. = Gestoelte, afgeslotene zitbank in de kerk , voorbehouden aan de bedienden en de overheden. D. S.

ZITTEBANK, z. nw., vr.. — Z. Zitteplank.

— = Bank waar de peerdenknecht in zijne T<arre of wagen op zit.

ZITTEN . werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb.. Op den grond zitten , de vogels zitten in de boomen. Op zware lasten zitten. Aan tafel zitten. De hen zit te broeden. Hij zit te lezen. Achter slot zitten. Waar zit hij toch ? Hij zit in nood , in schuld, tot over de ooren in de schuld. Hij zit vol valschheid. Hij is blijven zitten. Dat meisen heeft ons laten zitten. De nagel zit los. Er zit slijm op de borst.

Spr. : Op heete kolen zitten, in spanning , in angst. In klodden, in nesten, in slechte lakens zitten, in moei¬

lijkheden , in neteligen toestand zijn. Er mede zitten , veel geld hebben. Daar zit iets achter, daar zit niet veel achter. Z. Achter. Er goed, slecht veur zitten, gerust, ongerust de toekomst tegemoet zien. Op zijnen zak zitten. Z. Zak. Aan't schotelken zitten. Z. Schotel. Er tusschen zitten, in verlegenheid , in moeilijkheden zitten. In iemands rapen zitten. Z. Raap.

— Zitten in, weinig hebben. Wij zitten inde potten met al die breuken,

— Zitten op, aanzetten , vermanen. Ik zit genoeg op mijnen jongen, maar hij wilt niet luisteren.

— Zitten op, weerstand ondervinden iri een werk. C. D. De gravers zitten soms op steen, de zagers op 'nen weer, enz..

— Zitten met, eene ziekte hebben die u zitten doet. Hij zit weeral met het beestje.

— Zitten met, hebben , bezitten. Mijn mes is weg , wie zit daar mee ?

— Zitten met, veel hebben. Hij zit met geld.

— Zitten met, geplaagd zijn, last hebben van. C. S. R. Hij zit met 'nen knecht die alle dagen drinkt. Ge schommelt, ik geloof dat ge met luizen zit.

— = In de gevangenis zitten. C. R. Ik heb liever te zitten als die zware boet te betalen.

— Zitten aan, er aan futselen, onnoodig en met schade aanraken. C. R. Ik mag u alleen niet laten, want gij zit overal aan : nu eens aan mijn kleeren, dan eens aan de tellooren, dan weer aan iets anders.

— Zitten aan, er een deel van wegnemen, stelen. C. R. Die straatjongen zit aan onze appelen.

Zoo ook zitten in. C. De dieven hebben in onzen hof gezeten.

— Zitten achter iets of iemand. Z. Achter. C. D. R. De gendarmen zitten achter den dief. Hij zat gedurig achter dat meisken om er mee te trouwen. Hij zit al twee jaar achter een broodwinning.

— Met iets of iemand (aan zijn vingeren of aan zijn been) blijven zitten, zich van iets of iemand onaangenaams of schadelijks niet kunnen ontmaken. Als ik dien luien knecht niet deurzend , zal ik er mee blijven zitten. Nu dat de menschen weten dat er groote afslag gaat komen, zal ik met die diere patatten aan mijn been blijven zitten.

— Er zit geen deugen , geen werken, enz., in dien jongen , die jongen wil niet deugen , werken, enz..

— Zitten hebben. Z. Liggen.

— Het zitten hebben , door eenen slag, eenen steek , eene ziekte getroffen zijn ; dronken zijn. C. K. Ik schoot naar den vogel, en hij had het goed zitten, lederen Maandag heeft hij het 's avonds zitten.

— Het laten zitten. Z. Het.

— Hoe zit het ? hoe staat, gaat het ? C. Hoe zit het met de reis die ge zoudt willen doen ?

— Wordt gebezigd voor al wat in iets anders besloten is en zoo schijnt te rusten. De mulmen zitten in dien stoel. In die peer zit geen smaak.

— In sommige uitdrukk., waar V. zitten gebruikt,

Sluiten