Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZOMERPETET . z. nw.. m.. = Zomeraardappel , vroege aardappel, die in 't begin van den Zomer rijp is.

ZOMERPHLOX. z. nw., vr.. — Z. Lieve Jannekens.

ZOMERSCH. bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : De menschen vertellen veel op 'tien zomerschen dag, geloof niet al wat de menschen zeggen.

ZOMERSTOFFELIER, z. nw., m . — Z. Zesw eeksken s.

ZOMERZAAILING. z. nw., m.. = Soort van aardappel dien men hier vroeger zaaide, maar die nu niet meer gekweekt wordt.

ZOMERZEIL, z. nw., o.. = (Schipp.) Wit zeil van een jacht. Op de jachten gebruiken ze gewoonlijk twee zeilen : een zomer- en een winterzeil, het eerste is wit, het ander bruin.

ZOMMER , z. nw., m.. = Zomer.

Z. al de samenstellingen en afleidingen bij Zomer.

ZOMMIGE , ZOMMIGTE . bijv. nw.. = Sommige. Zommige menschen worden honderd jaar.

ZONDAAGSCHE, z. nw., m., meerv.. .•= Soort van aardappels die vóór de plaag veel geplant werden. Zij waren wit met blauwe vlekken.

ZONDAG, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : 's Zondags bierken met de macht e?i 's Maandags waterken uit den gracht of 's Zotidags bierken van lust en 's Maandags water ken van dorst. Die alle dagen viert, vraagt naar den Zondag niet. Zoo blij als een hond 's Zondags. Gekleed zijn gelijk een hond op zijn Zondaagsch, wonder, vreemd aangekleed zijn.

ZONDAGSCENS, z. nw., m . = Drinkgeld dat de kinderen van hunne ouders 's Zondags te verteren krijgen. C. D.

ZONDAGSGEBED. z. nw.f o.. Gebed dat de priester met de geloovigen onder of vóór de hoogmis leest voor zeker afgestorven geloovigen of voor de zieken die berecht zijn. C. T.

Spr. : Dat moet in het zondagsgebed staan, wordt gezeid van iets dat slecht, gemeen is in zijne soort, bijv. graan dat slecht opschiet.

ZONDAGSOORTJE , z. nw., o.. — Z. Zondagseens. C. D. S.

ZONDAGWEER. z. nw., o.. — Spr. : Vrijdagweer is Zondagweer.

ZONDAGWERK, z. nw., o.. == Zondagswerk.

Spr. : Zondagwerk verrijkt niet.

ZONDE, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— 't Is zonde, i° 't is eene laakbare daad, C. D. ; 2° 't is jammer, te betreuren. V. C. S. 't Is zonde van met uw beste kleeren alzoo deur den regen te

loopen ; 't is zonde van dat kindje : zijn beentje is gebroken en 't is mank veur zijn leven.

— Als iemand zegt: 't is zonde, laat een ander er al lachende dikwijls op volgen : zonde is God vergrammen.

ZONDER, voorz.. — Z. Wdb..

— Wordt veel gebruikt in elliptische wendingen als volgt : De beenhouwer heeft geen vleesch gebrocht ; nu zit ik zonder. Zijde nog veurzien van kaffee ? Neen, ik ben heelemaal zonder. C.

ZONDIGEN, werkw., onov. (hebben).—Z. Wdb..

— Tegen de haart zondigen, van de regels van 't kaartspel afwijken.

— Op een erfenis zondigen, er geld op vragen en van verbruiken, voordat men ze in 't bezit heeft. Z. C.

ZONGELINGEN. z. nw., m., meerv.. = Smeulende of uitgebrande lemen, stroo, kaf, hooi, enz..

Ook zoochelingen.

ZONHOED. z. nw., m.. = Zonnehoed. C.

ZONK, z. nw., vr.. — Z. Sjotik.

ZON(NE), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Blinken gelijk de zon. Zoo kleer, wit, licht als de zon. Dat is zoo onmeugelijk als met uw handen de zon uit de lucht te langen. Schillen gelijk de zon en de maan. 't Is de grootste deugniet die er onder de zo?ine loopt. O fis Heer laat zijn zon veur iedereen schijnen. Onder de zon is plaats veur iedereen. Ze hebben hem geslagen dat hij zon noch maan zag. Oogen om de zon uit de lucht te kijken, 't Zonneken schijnt in water, men is gelukkig, alles slaat mee. Niet kunnen verdragen dal de zon in't water schijnt, afgunstig zijn. Binnenkomen gelijk de zon , zonder spreken.

— Anker en zon spelen. Waagspel, 't Wordt soms op kermissen en schietingen gespeeld. C.

ZONNEBARM, zonneberm z. nw., m.. = Hoogte aan de zon blootgesteld. Eenig gewas op zonnebarm planten of zaaien.

ZONNEKANT. z. nw., m.. = Kant waar de zon op schijnt. Een broeibak moet naar den zonnekant liggen.

ZONNEKLOPPER, z. nw., m.. == Luiaard die geerne in de zon ligt. C.

ZONNEN, werkw., overg.. = In de zon stellen, aan de werking der zonnestralen blootstellen. V..

— tusschenv.. = In de zon liggen of staan, aan de zonnestralen blootgesteld zijn. De tarwe moet zonnen om gemakkelijk te dorschen.

ZONNESLAG, z. nw., m.. = Zonnesteek. S. R.

ZONNETENT, z. nw., vr.. = (Schipp.) Plaats op een schip die met zeildoek overspannen is.

ZONNEWASSMELTER, z. nw., m.. =(Biem.) Toestel dienende om, door inwerking van de warmte der zon, het was te doen smelten.

Sluiten