Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— Zot naar of van , verzot op, driftig, begeerig naar. C. T. R. Dat meisken is zot van 't mannenvolk. Ge meugt zoo zot niet zijn naar groen fruit.

— Zotte vijs, altijd draaiende zonder te vatten. C. R.

— (Wever) Zotte kammen, onvolledig bijgevoegde kammen.

— Zotte poelie, poelie die los op de spil van de machine draait.

— Zotte Maandag. Z. Mannekensmaandag.

ZOT, z. nw., o.. = Dartelheid, malheid ; dwaasheid. C. S. Het zot in den kop krijgen Van 't zot inhebben.

— Oud zot, dartelheid van iemand die al gevorderd is in jaren. Onze gebuur is zestig jaar en nu krijgt hij 't oud zot, hij zou willen trouwen.

— 't Zot houden of scheren met iets of iemand, er den spot mee drijven. C. R.

Bij D. van het zotte scheren en den zot scheren.

ZOT, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Lachen gelijk een zot. Met iemand denzot houden, er den spot mede drijven, 't Vreezen of 't vluchten of 't loof en is van geen zotten ingesteld. Elke zot prijst zijn muts of zijn kot. Daar zijn nog van die zotten die dat begeeren, nog anderen begeeren dit en zij hebben gelijk. Veel beloven en weinig geven doet de zotten in vreugde leven. Al lachende, zegt een zot zijn meening. Kinderen en zotten zeggen de waarheid.

— = (In 't kaarten) Boer. C. D.

— = (In 't kegelspel) Kegel die alleen, buiten het vierkant, op eenen hoek staat,

— Zotje jagen. Z. Zotje stouwen. Z. Stouwen.

ZOTGAWEG, ZOTWEG, bijw.. — Ik heb danig gelachen als ik daar Frans zoo zotgaweg zag springen.

ZOTHUIS, z. nw., o.. = Zinneloozenhuis. C.

Zuidned. bij V..

ZOTHALFVASTEN, z. nw., m.. = Aardige, wondere vent, zot.

— = Wildvang , lichtzinnige kerel.

ZOTHOOFD, z.nw.,o..-- Lichtzinnige, dartele dochter of jongen. D. S.

Ook zottekop.

ZOTSPEL. z. nw., o.. == Spel van gekken. C. Is dat hier een zotspel ? Ik kom binnen en alleman begint te lachen !

— 't Is een zotspel, 't is gelijk een zotspel, wordt gezeid wanneer men iets vreemds of buitengewoons ondervindt , waarvan de oorzaak niet te verklaren is. C.

ZOTTEBOLLEN, werkw., onov. (hebben), onsch.. = Dartelen, zot en wild zijn. D.

ZOTTEGEM. z. nw., o.. — Dorp van Oost-Vlaanderen.

Spr. : Van Zottegem komen, zot, gek zi-n.

ZOTTEKOP. z. nw., m.. — Z. Zothoofd. S.

ZOTTE-MANSKLAP , ZOTTE-MANSPRAAT, z. nw., m . = Gekkenpraat.

ZOTTEMUTS. z. nw., vr.. = Gek, lichtzinnig vrouwmensch. C. S.

ZOTTIGHEID . z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— = Verwijtingen, scheldwoorden. C. D. S. Hij kreeg zooveel zottigheid alsdat hij haren op zijnen kop heeft.

ZOTTINNE(N PAP. z. nw., m.. = Pap met bier en zoetemelk.

ZOUT, bijv. nw.. — Z. Wdb..

Spr. : Zoo zout als brak, zeer zout. Hij maakt het wat zout, van eenen beslagmaker, 't Is er zout in dien winkel, men moet er de waren duur betalen. Zoo zuur of zoo zout heb ik het nog nooit geiten, ik werd fel bekeven.

ZOUT, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Iets uit'i zout langen, zeer hoogen prijs van iets vragen. Aan de kinders zegt men dat, om de vogels te vangen, men hun wat zout op den steert moet leggen. Het zout in zijnen pap of in zijn soep niet verdienen, zeer weinig winnen.

— Engelsch zout, sulfas van magnesia , sel d'Epsom. V. C. D.

ZOUTERIK. z. nw., m.. (Kruidk.) Zeekool, Salicomia hcrbacea, salicorne, fam. Salsol. D. geeft zee salade.

Zuidned. gewest, bij V..

ZOUTZAK, z. nw., m.. = Die veel zout in zijn eten doet. C.

ZOUTKEET (scherpe e), z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Bij V. met zachte e.

ZOU(W LIJK, bijv. nw.. =Verfrisschend, deugddoende, sprek. van dranken. Dat is een zouwlijke drank. Koud water in den Zomer is zouwlijk.

ZUCHT. z. nw , m.. — Z. Wdb..

Volksrijmken : 't Is een zucht Die 't hert verlucht.

Is 't een van verdriet,

Dan is 't de leste niet ;

Is 't een van de min ,

Dan zijn er nogal in.

— = Tocht van den wind. V..

ZUCHTIG, bij. nwv.. — In de gep. woord. : Ziek of zuchtig, C. S. K. languens, morbosus. O. Die man is altijd ziek of zuchtig, d. i„ ziek of ziekelijk.

ZUFFESANT (klemt, op sant), bijv. nw.. = Tot alle werk bekwaam, vinnig en behendig. Een zuffesant meisen.

Van 't Fr. suffisant.

Bij O. soffisant.

ZUIDERSCH, bijv. nw . = Zuider. D. De zuidersche wind.

95.

Sluiten