Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van hongert koude, zeer grooten honger, zeer groote koude hebben.

— Zwarte mis, mis voor eenen overledene , waarbij de celebrant een zwart gewaad aanheeft. C.

— Zwart goed, goederen die onder de Fransche Omwenteling aan kerken en kloosters ontroofd zijn. C. D. S. R.

— Zwarte vijt, booze fijt. Als het koud is, ziet de vinger die de zwarte vijt heeft, zwart en schijnt dood te zijn.

— Zwarte bellen in de haver, hoort, kankerhaver.

— Zwarte galle, zwarte ziekte , hématemcse. C. D.

— Zwart manneken in het dooshen , O.. — Het zwart manneken in het doosken is een klein manneken dat in een doosken zat en op de straat te rapen lag. Die het opraapte, moest het alle dagen schoon lijnwaad geven en het houden zoolang hij 't niet aan een ander opofferen kon !

ZWARTE KOEKOEK, z. uw., m.. — Z. Bruine Koekoek.

ZWARTEKOP, ZWERTEKOP, z. uw., m.. = (Vogel) Zwartkop, sylvia atricapilla , fauvette a te'te noire. D.

— = Iemand met zwart haar. C. Gij leelijke zwartekop !

ZWARTE KRIEK, z. nw., vr.. — Z. Nachtschade.

ZWARTKAMMEKEN, ZWARTKAPKEN. z. nw., o.. = Bie van voren ten halve zwart en grijs op het achterlijf. Zij woont in holen.

ZWARTZAAD, z. nw., o.. — Z. Rondzaad.

ZWARTZUSTER, z. nw., vr.. — Naam aan sommige zusters gegeven die in 't zwart gekleed zijn en zich aan 't verzorgen der zieken toewijden. C. R.

ZWEED, z. nw., m.. = (Schipp.) Stoomboot of zeilschip op Zweden varende.

ZWEEHAAK (zachte e), z. nw., m.. = (Schrijnw.) Zwei. équerre a branches mobiles.

Bij D. zwee ; bij K. swede.

Ook zweihaak.

ZWEEK, z. nw., vr., ZWEEKHOUT. o.. = (Boer) Dwarshöut waar de wagen op rust.

ZWEEM (scherpe «), z. nw., vr.. — Z. Half endeken, bij Half. K. Gallinago minor.

ZWEEP. z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : 't Is gemakkelijk de zweef leggen op andermans peerden. Een oude voerman hoort nog geren 't klappen van de zweep.

— — Lange man of vrouw. C. Een lange zweep van 'nen vent.

— =(Meulen) Ieder der vier lange balken die, in een steenen meulen , den steert aan de spruitbalken verbinden. D.

Bij D. ook zwepe en zwepiag.

— (Timm.) Zwieping, schuin geplaatste richel, die , bij het plaatsen van een kozijn, dit in loodrechten stand houdt.

ZWEEP, ZWEEPE, tusschenv.. — Uitroep, om eenig gerucht of vliegende beweging aan te duiden. Ik ga dat uitgieten, zeide hij en zweepe ! al 't water was op mij. Jan , 't regent.... zweep !

ZWEEPKNOOP (scherpe e en o), z. nw., m.. — Z. Peerdsknoop.

ZWEERD (zware e). z. nw., o.. = Zwaard, epee. C. D. K. gladius.

— = iSchipp.) Scheepzwaard. C. D. S. K.

— = Zwoord. S. Als gij spek eet, meugt ge 't zweerd niet opeten.

ZWEERDBLOK, z. nw., m.. = (Schipp.) Katrol waar de touwen door loopen die het zweerd optrekken of neerlaten.

ZWEERDBLOM , z. nw., vr.. — Z. Bloedig zweercl.

ZWEERDHAAK. z. nw., m.. = (Schipp.) Haak aan het bovendeel der boeiïng vast en dienende om het zweerd omhoog te houden.

ZWEERDKETING.' z. nw., vr. en m.. = (Schipp.) Ketting die, tegelijk met den zweerdlooper, dient om het zweerd op te halen.

ZWEERDLELIE, z. nw., vr.. — Z. Bloedig zweerd.

ZWEERD VAN DEN HEILIGEN PAULUS, z. nw., o.. — Z. Bloedig zweerd.

ZWEE(R)S (zware e), bijw.. — Z. Dweers.

ZWEE(R)SDEUR , bijw.. — Z. Dweersdeur.

ZWEET, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Lui zweet is gauw gereed.

ZWEETBEESTJE. z. nw., o.. = Bruin beestje, dat met hoopen in de schuren zit, als het graan broeit.

ZWEETEN. werkw., onov. [hebben). — Z. Wdb.. Spr. : Zweeten gelijk een das, eenpeerd. Zwijgen dat ge zweet. Hij kan eten dat hij zweet, en werken dat hij kou krijgt, op een grooten luiaard. Water (niet etter) en bloed zweeten , zeer beangst zijn. Op iets zweeten , een moeilijken arbeid verrichten.

— = in angst verkeeren , zeer beschaamd zijn. De beschuldigde zat op 't schabelleken te zweeten, als de rechter begost te spreken.

— = Broeien, van hooi en graan gezeid. Hooi is ongezond om op te slapen, bezonder als t niet gezweet heeft.

ZWEETER. z. nw., m.. = (Boer) Stalbeest die moeilijk vet.

— In de spreuk : Er gestaan hebben met zijn zweeters of zweetvoeten, om met minachting te spreken over iemand die mislukt of gestraft is.

Sluiten