Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZWEIHAAK , z. nw., m.. — Z. Zwcehaak.

ZWEISELEN. werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. Dweiselen. K. sweyssen, vagari.

Bij S. zwanselen, zwantselen, zwenselen, zweinselen.

ZWEMMEN, werkw., onov. [hebben). — Z. Wdb..

Spr. : De eene zwemt deur de wereld en de andere kruipt er deur. Zwemmen gelijk een waterrat.

ZWENSELEN, werkw., onov. (hebben en zijn), — Z. Dweiselen. K. swentselen, vagari.

Bij C. zwanselen.

ZWERAGE (zware e), z. nw., vr.. = Verzwering. C. S. T. R. Hij heeft een zwerage aan zijnen arm.

ZWERMGRAAT. ZWERMWAFEL, z. nw., vr.. — (Biem.) Raat met grof werk die de bieën bouwen vóór het zwermen.

ZAATERMTIJD , z. nw., m.. = (Biem.) Tijd van het gewoon zwermen der bieën, einde Mei en Juni. Bij slecht weder is de zwermtijd altijd laat.

ZWERT, bijv. nw.. — Gewone uitspraak van zwart. C. S. K. O.

Z. achter Zwart de samenst. met zwert.

ZWES, z. nw., vr.. — Lange, ondiepe groef; kleine gracht. S. Om het water beter weg te leeden, maakt men zwessen op den akker.

ZWICHTELINGEN. z.. nw, m., meerv.. = (Schipp.) Kleine touwkens die aan het onderdeel van het zeil hangen. Het is met de zwichtelingen, alsook met de reeftouwkens, dat men het zeil inkort.

ZWIER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Wij zeggen niet aan den zwier, maar op zwier of op zijnen zwier zijn. De dronkaards zijn weer op zwier.

— = Vrije beweging. C. D. Ik moet mijnen zwier hebben om dien steen ver te kunnen rooien.

ZWIEREN, werkw., overg. en onov. (hebben). = Slingeren, heen en weer bewegen. C. D. T. Hij zwierde met zijnen stok en ging henen. Ge zwiert te veel met uw armen (of met uw beenen), als ge gaat.

— Z. Wdb..

Gep. woord. : Loopen en zwieren, zwieren en zwadderen.

ZWIJGEN, werkw., overg.. — Z. Wdb..

Spr. : Zwijgen dat ge zweet. Zwijgen gelijk een visch, een graf. Zwijgen is niet spreken, ik zal niet antwoorden op uw vraag. Beter gezwegen als van spreken schande gekregen. Zwijgen is onverbeterlijk (zeggen de filosofen). Die goed kan zwijgen , zal van spreken geenen ondank krijgen. Met zwijgen kan men den duvel foppen of kullen of wieksen. Zwijgen en dinken kan niemand krinken. Onder ons gezeid en op een ander gezwegen. Z. Ander.

— Op een eeuwig zwijgen. Z. Eeuwig.

ZWIJGER . z. nw., m.. — Dat is Willem de Zwijger,

op iemand.die achterhoudend is of weinig van spreken houdt.

ZWIJGERSHOEKSKEN, z. nw., o.. - In 't zwijgershoeksken, schertsend antwoord op de vraag waar, geldende voor : daar antwoord ik niet op, dat zeg ik niet. Waar woont ge ? — In 't zwijgershoeksken.

ZWIJMELEN, werkw., onov. (hebben). = Waggelen , met waggelende beenen gaan gelijk een dronken mensch. C. K. vertigine laborare.

ZWIJN. z. nw., o.. - Z. Wdb..

— Wordt om zoo te zeggen alleen gebruikt om met minachting van menschen te spreken. Zoo zat als een zwijn.

ZWIJNDRECHT, z. nw., o.. — Dorp van 't Land van Waas.

Spr. : Van Zwijndrecht komen, zwijmelen, dronken zijn.

ZWIK, z. nw., m.. = Zwaai, zwenk. T. K. swick, swanck = vibratio, hbratio. De kuip kreeg 'nen zwik en viel om.

ZWIKGAT, z. nw., o.. = (Brouw.) Opening waar de zwik ingestoken wordt.

ZWIKKEN , werkw., onov. (hebben). = Zwenken. T. K. vibrare, librare. O. De groote kuip die op den wagen stond , zwikte en al het water vloog op mij.

— overg.. — Een ton zwikken, er een klein gat in boren om den inhoud te proeven of om er uit te stelen zonder het stopsel van het kraangat te schenden. Om het zwikken te verduiken, slaat men in de gemaakte opening een zwik.

ZWIKZWAK, z. nw., m„ = Lange en dunne persoon. C. S. Die lange zwikzwak is met een kroddeken van een vrouwmensch getrouwd : iedereen lacht er om, als zij uitgaan.

— = Pier, aardworm , in het raadsel:

Daar kwam een lange zwikzwak gegaan. Hij zei tegen den boer : doet weg uwen haan, Den hond zal mij niet bijten.

ZWILG. z. nw., m. = Zwelg. Een zwilg water.

ZWILGEN , werkw., onov. (hebben). = Zwelgen. K. vorare.

ZWILLEN. werkw., onov. (zijn). = Zwellen. C. S. K. turner e. O.

ZWING, z. nw., vr.. = Vleugel, meest van de duiven gezeid. C. K. ala accipitris aut alterius id genus avis.

— = (Voerm.) Houten balk waar men de strengen van 't peerd aan vastmaakt, als het in den wagen gaat trekken. Zoo er twee peerden zijn, is de zwing de balk die aan den wagen vast is ; en de balken waar de strengen dan aan vast zijn , heeten hamen. De hamen zelf zijn vast aan de zwing. C. D. S. K. lignum transversum temonis.

Sluiten