Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJVOEGSEL.

-f- duidt eene verbetering aan.

Cl. = woorden of uitdrukkingen die ook voorkomen in Bijvoegsel aan de Bijdrage tot een Hagelandsch Idioticon gedeeltelijk volgens onuitgegeven aanteekeningen van J, F. Tuerlinckx. door D. Claes, werkend lid der K. VI. Academie.

AANAZEN, werkw., overg.. = -|- In 't algemeen, voeden, spijzen. Een vuur aanazen. Als de wiek te veel spant in den bek der lamp, kan ze die niet aanazen.

AANBOEGEN. werkw., onov (heiben). — Z. I.

Achteruit in den laatsten regel mocht niet gedrukt worden.

AANDRIJVEN, werkw., onov. [hebben). — In de spr. : Dat drijft aan, zei de bult, en hij kreeg 'nat steen op zijn kas, scherts , dat is iets van weerde , van gewicht !

AANEENBLIKSEMEN , werkw., overg.. = Onvolledig en rap tot een geheel maken. Wij kunnen die bank niet geheel afmaken, wij zullen ze moeten aaneenbliksemen.

AANEENBRISCOLEEREN. werkw., overg.. = Aaneennaaien, aaneenvoegen, 't Is een neerstige vrouw, ze laat niets verloren gaan en briscoleert alles aaneen.

AANEENDRESSEN. AANEENDRETSEN. werkw., overg.. = Rap aaneenmaken. Dres dat jaksken wat aaneen , dan kan ik er nog mede in de schuur staan.

AANEENSPELLEN. werkw., overg.. = Met eene speld aan malkander hechten.

AANEENSPINNEN. werkw., overg.. — Z. I.

— = Begrijpen, verstaan. Hij is ziek , zegt hij , en hij loopt al de herbergen af: spin mij dat aaneen.

AANEENSTEEK, z, nw., m.. = (Breister) Gekleurde draad waar men de kousen en sokken mee aaneensteekt.

AANEENSTEKEN , werkw., overg.. = (Breister) De kousen of sokken met gekleurden draad paar en paar aan elkander vastmaken.

AANEENSTEKER, z. nw., m.. = (Breister) Meisken dat de kousen en sokken met gekleurden draad aan elkander vastmaakt.

AANEIN , werkw., overg.. — Z. I.

— Een goede scheut aanein, erg dronken zijn.

— De dagen ein niets aan, zijn zeer kort. C.

AANGEVEN. werkw., wederk.. = Vrijwillig in het spel u laten overwinnen. Als ge op 'nen biljart speelt, meugt ge er u niet aangeven.

AANGROEISEL , z. nw., o.. = Aanwas.

AANHANGEN, werkw., onov. (hebben). ■— Z. I.

— onov., eenp.. = Erg toegaan. Het zal er nog aanhangen , ze zullen vechten leven om leven.

AANHEBBEN , werkw., overg.. — Z. Aanein.

AANHOUDEN, werkw., óverg.. =(Schipp.) In dezelfde richting naar een punt. Als het schip nog langer den wal aanhoudt, vaart het omhoog.

Sluiten