Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— (Breister) Steken aan den wrijf afsteken, langs weerskanten van het been eener kous of van eenen wrijfboord naalden neerlaten en dan voortbreien om den wrijf te maken.

AFSTOU(WE)N. werkw., overg.. — Z. I.

— = Doordrift afmatten, driftig doen werken. Ik heb liever daar op mijn gemak te meugen aan werken als mij te moeten afstouwen.

AFSTRAFFEN , werkw.. overg.. = -|- Het werk, de bediening afnemen, afdanken. Die klerk is afgestraft , hij kwam alle dagen te laat.

AFTAREESTEN, werkw., overg . Aframmelen , afrossen.

AFTEERLINGEN, werkw., overg.. = Winnen met de teerlingen. Er wordt vandaag in de herberg een verkenskop afgeteerlingd.

AFTELSELS. — Z. I.

Daar liep een manneken over den dijk. 't Sloeg zijn stoksken dieper in 't slijk , 't Stoksken begost te rooken ,

't Manneken begost te loopen,

't Kwam daar aan 'nen droogen gracht,

Daar lag zijn peerdje dieper versmacht, 't Deed zijn peerdjen 't huiken af,

't Reed er mee naar Ieperloo,

Daar verkochten ze boter met volle manden. , Verkens zeekten azijn,

Moesten dat geen lieve dierkens zijn ? Ze luidden met den bookhamerssteen, Ze klipten met den tandlabeen ,

Ze dansten op den glazen trog ,

Is hij niet gebroken , ze dansen er nog.

AFTOPPEN, werkw., overg.. — (Timm.) Een stuk hout aftoppen , met de schaaf het einde van het stuk veel afschaven, zoodanig dat het op het uiteinde dunner is dan in 't midden.

AFTORREN, werkw., overg.. = Afrossen, eer. pak slagen geven.

AFTRANGELEN. werkw., overg.. = Aftroggelen.

AFTREK. z. nw.. m.. — Z. I.

— Een buik hebben met 'nen aftrek, zeer veel kunnen eten. Z. ook Aftrekker, I.

AFTREKKEN, werkw., overg.. — Z. I.

— onov. (hebben). = Goed, veel verkocht. worden. Die waar trekt goed af, er is veel vraag naar.

AFTUIGEN, werkw., overg.. — Z. I.

— =(Schipp.) Van tuig ontdoen. De schepen die des Winters niet varen , worden afgetuigd.

AFVRAGEN, werkw., overg.. — Z. I. Men zegt ook de dochter afvragen.

AFWIEGELEN , werkw., overg.. — Z. Aftrompen, I.

AFZIJPEN. werkw., onov. (zijn). — Z.Zijpen, I , 2°.

AJUIN, z. nw., m.. — Z. I.

— Schimpnaam, gemeene kerel. C. S. R. Cl.

AK. — Op het getal 88 zegt men ak en tak, daar is geen eenen Waal die 't zeggen kan.

AKT, z. nw., m.. = Akte. C. R. Cl. De notaris heeft den akt gepasseerd.

— Akte van gelaat, andere naam van het kinderspel Afslag. Z. d. w., I.

AL, z. nw., m.. == Eigendom, al wat men bezit. Dat klein huisken is heel mijn al.

ALERM , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Mijn buik klipt alerm, hij grolt, ik heb grooten honger.

ALING, z. nw., m . = Aal ?

Komt voor in 't volgend aftelsel :

Zuster Katrientje,

Verkoopt gij geenen visch ?

Neen , zuster Lientje ,

Ik weet niet wat het is.

't Is aling , 't is paling,

't Is varsch gebakken visch .

Ge moet er niet van eten ,

Uw hertjen is niet frisch.

ALOM. bijw.. = Om. S. Cl. Die weg is alom.

Vandaar alomgaan voor omgaan.

ALSWANNEER, voegw.. = Wanneer. Alswanneer dat ge naar huis gaat, moet ge mijn moeder verwittigen.

ALUINEN, werkw., overg.. = (Huidevetter) Met aluin bewerken. V.. Het zijn de lichte schapenvellen die ze aluinen. Deze huiden moeten wit blijven en mogen daarom, gelijk andere huiden, niet met looi bewerkt worden.

AMMESTRATIE, z. nw., vr.. = Achterdenken, onrust. Wij hebben in de ammestratie gezeten, omdat gij zoolang wegbleeft.

ANDER, bijv. nw.. — Z. I.

— De ander reste, het overige. Veur de ander reste, overigens, daarbij.

ANDIELISSEN. werkw., overg., — Wreed vermoorden.

ANKER , z. nw., m. en o.. — Z. Wdb.. C.

— In den Anker, veel voorkomend uithangbord. Cl.

APOSTEL, z. nw., m.. — Z. I.

— Apostelen, meerv.. — Naam van 't cijfer 12 in het kienspel.

Andere naam in dit spel aan den Godsdienst ontleend : Judas, dertien ; penningen , dertig ; jaren van Christus, drij en dertig; discipelen van Christus, twee en zeventig.

APPEL, z. nw., m.. — Z. Klos, I , i°.

Sluiten