Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bos(chibeer (zware e), z. uw., m.. = Lompe, ] woeste jongen of man.

bos chjmee (zachte «), z. nw., m.. = Mede, hyiromel.

bos(ch mensvch), z. nw., m.. — Z. Wdb.. ]

— = Schimpnaam, ruwe , onbeschofte kerel.

bosser , z. nw., m.. — Z. I.

— = (Kindersp.) Groote marmel waar men mede ' bost, kardas.

bot, z. nw., m.. —Z. 1, 5°.

— (Marm.) Op 'nen bot knippen, zoo knippen dat de marmel den anderen van omhoog treft.

bot, z. nw., m.. — Z. I.

Spr. ; Den bot schudden. voor anderen boeten , het gelag betalen. C. S.

boterham, z. nw., m.. — Z. I.

— Boterhammen snijden, leggen of scheren, keilen.

botering. z. nw., vr . = Rammeling, pak slagen. C. S.

boterkebben, z. nw., o.. = Houten kebben waar de boer zijne boter in stampt.

botermelkkebben , z. nw., o.. = Houten kebben waar de botermelk mede geschept wordt.

botikel, z. nw., m.. = Al wat iemand toebehoort , met misprijzen, boidique. Ik zal u met heel uwen botikel aan de deur zetten

botjaar, z. nw., o . — Z. I.

— — 't Jaar 1816 waarin er zeer veel koeien gestorven zijn ; men vond, zegt men, in hunne maag kleinen levenden bot die de dood veroorzaakte.

bottekareuten, z. nw., vr., meerv.. — Z.

Allemaatjes, I.

botten, werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. 1, 20.

= Haastig doorwerken, Gij zult meugen botten

om dezen avond gedaan te krijgen.

botter , z. nw., m.. = Bloedvink. S.

botteren, werkw., onov. (hebben en zijn). —Z. Botten ,1,2°. De appelen kwamen van den boom gebotterd.

botterik, r. nw., m.. — Z. 1.

= Blok hout die boven den grond uitsteekt en de

twee vleugels van een hek tegenhoudt. S.

bouten, werkw., overg.. = Den bout kraken , van vogels gezeid. Ik heb mijn fezanten gebout, omdat ze niet zouden wegvliegen.

boven, voorz. enbijw.. — Z. I.

= (Schipp.) Voorbij. De wind is niet voordeelig

om boven den hoek te zeilen.

Bovenop, daarenboven. De beschuldigde werd

veur vijftig frank veroordeeld en moest bovenop i]e -proceskosten betalen.

bo venberen (zware e), werkw., overg., scheidb. = (Boer) Beren na het ploegen. Een plek land bovenberen.

't Is het tegendeel van onderberen.

bovengetrek, z. nw., o.. = Bovenste deelen van een samengesteld voorwerp. Het bovengetrek van een kas.

bovengoed, z. nw., o.. = Buitenstof, tegengestelde van voering.

bo venman, z. nw , vr.. = Zager die op het te zagen hout staat. De andere staat op den grond.

bovenmeülen. z. nw., m.. = (Meul.) Bovenste verdieping van den meulen, waar wielen en steenen draaien.

bove(n)steek (zachte e), z. nw., vr.. = (Boer) Laag bovengrond van de diepte eener spade.

braak, bijv. nw.. — Z. I. Op 't einde staat: ook vaag; lees : z ook Vaag.

braak. z. nw., vr.. — Z. I.

— Braak van eenen wagen, voorste deel dat draaien kan.

braakbeet, z. nw., m.. — Beet op braakland gewonnen.

braakgrond . z. nw., m.. = Grond die braak ligt. C. T. R.

braakhaver, z. nw., vr.. = Haver op braakland gewonnen. C. T. R.

brabbel, z. nw., m.. = Stottering, onduidelijk spreken. Spreek duidelijk, wie kan er uwen brabbel verstaan ?

bradde, z. nw., vr.. — Z. I.

— = Zekere kleine wilde peer.

braddeken, z. nw., o.. = Beurs, inhoud der beurs. Heel zijn braddeken moet er aan. Z. Pradde.

braddeleer (zware e), z-, nw., m.. = Boom die de bradde draagt.

bral . z. nw., m.. — Z. Brol, I. S.

branden, werkw., onov. {hebben). —Z. Bran) nen, I.

Spr. : Zijn haar brandt, hij heeft ros haar.

branding , z. nw., vr.. = Brandstof. D. S. Droog hout is goede branding.

Z Verdam.

brandsnede), z. nw., vr.. = Snede van een ; j nieuw mes. D.

brandspruit, z. nw., vr.. = Brandspuit.

1

) brandwater, z. nw., o.. -= Rood vocht voortkomende van eene ontsteking. Als een peerd

Sluiten