Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DEURHALEN. werkw., overg.. — Z. I.

— (Breister) Een sletk deurhalen , ze ophalen , als ze in het weven gevallen is. Z. Ophalen.

DEURROSSEN. werkw., onov. (hebben), scheidb. — Z. I.

— = In het bed pissen. Die jongen rost alle nachten deur.

DEURROSSER, z. nw., m.. = Beddepisser.

DEURSLAG, z. nw., m.. — Z. Effeneer, I, i°.

DEURSPELEN, werkw., onov. [hebben). = Met kracht spelen.

DEURSTEKEN, werkw., overg.. — Z. I.

— scheidb.. — Eene horlogie deursteken. Z. Deurzetten, I.

DEURVLOGENTHEID, z. nw., vr.. = Verkleumdheid door hevigen wind of erge koude veroorzaakt. D.

DEVOORIG, bijv. nw.. = Neerstig. D. Een devoorige mensch.

DICHT, bijv. nw. en bijw.. — Z. I.

— Dicht en bij, dicht bij, nabij, 't Is dicht en bij twaalf uren.

Ook bij en bij, naast en bij.

DICHTEN, werkw., overg. en onov. (hebben). — Z. I. •

Spr. : Hij kan rijmen en dichten, zonder zijn gat op te lichten.

DIENST, z. nw., m.. = Het dienen als soldaat. V.

— Onder dienst gaan of zijn. soldaat worden , zijn.

DIENTWEGE , bijw.. — Van dientwege, van dien kant. Van dientwege heb ik niets te vreezen.

— Veur dientwege, daarom, om die reden , voor die zaak. De toemaat zal niet goed zijn , want veur dientwege zou de zon moeten schijnen.

DIEPGANG, z. nw., m . = (Schipp.) Diepte waarop een schip in het water ligt. V . De diepgang van een schip wordt in voeten en duimen uitgedrukt. Een schip van 10 voet diepgang.

DIJK , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Dat bringt slijk aan den dijk, dat doet de zaken vorderen. Een schoone kant, een schoone dijk. een schoone vrouw zijn op een jaar gelijk, zijn maar schoon voor éen jaar.

DJABBESLAG, z. nw., m.. — Spr. : In den djabbeslag zitten, door ziekte of ongelukken in slechten toestand zijn.

DJOLS, z. nw., m.. = Waterput.

DJOLSEN. werkw., onov. (hebben). — Z. Poelsen, T In 't water djolsen.

DOBBEL, bijv. nw. en bijw.. — Z. I.

— (Schoenmak ) Dobbele tang. Z' Trektang, I.

— (Breister) Dobbele steek. Z. Sjalsteek, I.

— Dobbele hiel', hiel gebreid met dobbelen draad.

DOBBELEN, werkw., overg.. = (Vlas) Twee kaphandvollen met de gaten gelijk samendraaien en een weinig de lemen afdoen. Het vlas dobbelen.

DOENWIJS, DOENSWIJS, z. nw., vr.. = Handelwijze. Zijn klanten niet op tijd gerieven, is een verkeerde doenswijs.

DOES. z. nw., m,. — Z. Forneis, I.

DOEZEL, bijv. nw. en bijw.. = Gezwollen , van 't gelaat gezeid. Ge ziet er doezel uit, zijt ge misschien ziek ?

DOK, z. nw., m.. — Z. I, i°.

Komt, onder andere, voor in een liedje dat de kinderen zingen bij het bijzen :

Nog 'nen dok , nog 'nen snok ,

Vliegt daarmee ten hemel op,

Op eenen gouden kemel,

Op eenen gouden staf,

Drij keeren de wereld af;

Op'nen gouden stront,

Drij keeren de wereld rond.

DOKTOORDERIJ, z. nw., vr.. = Plaats, bediening van geneesheer. De doktoorderij is veel vervallen deur de veel apothekers die er komen.

DOMMERIK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Z. Botterik , I.

DOMMIGHEID, z. nw., vr.. — Z. I.

— = Zwaarhoofdigheid, slaperigheid.

DOMPEN, werkw., onov. (hebben). — Z. I.

overg.. = Uitdooven. K. cxtinguerc. Als ge

schramhoeliën opschept, zult ge de stoof dompen.

DONKER , bijv. nw. en bijw.. — Z.'I.

Spr. : Waar het donker is, daar is het tasten niet verboden, scherts, als iemand zegt : o ! dat is hier donker.

DOOD. bijv. nw.. — Z. I.

Spr. : Zijn duvel is dood, zijn geweld is voorbij. Hij zou op 'nen eens dood blijven, is zeer gierig.

DOOD z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : Hij is maar goed om veur de dood te gaan, op eenen trage.

DOODBANG , bijv. nw.. = Zeer bevreesd.

DOODMAGER, bijv. nw.. = Doormager, zeer mager.

DOODSHOOFDEN, z. nw., o., meerv.. = (Tritsspel) Worp van twee vijven.

DOOI z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Koude dooi is trouwe dooi.

DOOK (zachte o), z. nw., m.. = Judocus.

— Z. Grasseleer, 1.

DOOT (scherpe o), z. nw., vr.. = Gift, vooral in

Sluiten