Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geld. Cl. Zij heeft, als ze trouwde, van heuren meester een goede doot gekregen.

DOPPER. z. nw., m.. = Insect, groote schoenlapper, grande libellule.

DRAAIEN, werkw., overg. en onov. (hebben). — Z. I.

— Den pot draaien, koken, het huishouden doen. Moeder werkt op 't land en vader, die.ziek is, draait den pot.

DRAAILOOSACHTIG, bijv. nw.. = Eenigszins draaierig. Ik was dezen morgen draailoosachtig, maar 't is overgegaan.

DRAAK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— = Gierigaard. Die oude draak zou een oortje in vieren bijten.

DRAKEN, werkw., onov. (hebben). ~ Gierig leven.

Gep. woord. : Schrokken en draken.

DREEFELEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Drevelen. Z. D.

DRIJDAAGSCH. bijv. nw.. — Drijdaagsche koortsen , koortsen die om de drij dagen verschijnen.

DRIJFSTEEN. z. nw., m.. = (Metser) Schuinsliggende steen, om iets aan te sluiten. Men ondersluit een muur met drijfsteenen.

DRIJ-KEUNINGSTERRE. z. nw., vr.. = Drij sterren op éene rij.

DRIJPIKKEL, z. nw, m.. - Z. I.

— = (Boer) Drij bijeengebonden schooven die dienen om de volgende te stuiken schooven tot steun te dienen.

Ook peerdje.

DRIJSTAKEN, werkw., onov. (hebben), onsch.. — Z. Drijtafelen.

DRIJVEN, werkw., overg.. — Z. I.

— onov. (hebben). — Onder water staan. V.. De vloer van 'nen getirasten kelder moet verscheiden weken drijven.

DRINKKOM. z. nw., vr.. — Z. Moene, 2°, I.

DRINKLAP, z. nw., m. — Z. Droiiklap.

DROOG, bijv, nw. en bijw., — Z. I.

Spr. : Iemand droog scheren , scheren zonder zeep, foppen, bedriegen.

DRUIL, z. nw., m.. = Flauwe praat. Ge moet naar al dien druil niet luisteren.

DRUMBOOM, z. nw., m.. = Houten gestel dat den toegang van eene weide afsluit.

DUCHTEN, werkw., onov. (hebben). — In de gep. woord. : Zuchten en duchten, zeer bekommerd zijn. Hij zit te zuchten en te duchten, omdat zijn zeun niet naar huis komt.

DUCHTIG, bijv. nw.. — Z. I.

— = Dempig , kortademig.

DUIKER , z. nw., m.. — Z. I.

— = Stalen op- en neergaand voorwerp dat in de stikmachine den draad tegenhoudt om den naad te maken.

DUIKHALS. z. nw., m.. = Iemand die de schouders hoog optrekt.

DUIM , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Zijnen duim tn zijn handen hebben, vrij zijn te doen wat men wil.

DUIMELING , z. nw., m.. - Duim.

Komt voor in het versken op de vijf vingeren : Duimeling heeft 'nen os gekocht, enz.. C.

DUIT. z. nw., vr.. — Z. Duit, I.

Kinderrijmken : Sies van Belle

Reed naar d'helle,

Met een peerd Zonder steert :

't Was geen halve duite weerd.

DUIVE;N)KEET (scherpe e), z. nw., vr.. = Duivenhok. D.

DULLIG. bijw.. = Zeer. Dullig veel.

DUN, z. nw., m.. — Z. Den, 1, 3°.

DUNZETTEN . werkw., overg.. — Een ploeg dunzetten, scherpen.

DUVEL , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : '/ Is een weer van de helsche duvels, zeer slecht. Wij stookten gelijk de duvels en nog hadden wij koude. Iemand den duvel aandoen, plagen, kwaad maken. Een duvelken met een engelken, boterham van half tarwe- en half roggebrood. Uit zoo een rekening kan de honderdste duvel of man niet uit, niemand. Achter iemand loopen gelijk de duvel achter een ziel, overal volgen.

— Maakt samenstellingen beteekenende groote eter van wat het eerste lid aanduidt; Boter duvel, broodduvel, heuningduvel.

DUVELKENSKERMIS , z. nw., vr.. — 't Is duvelkenskermis, zegt men, als 't regent en de zon schijnt. S.

DUVELSSTEEK (zachte e), z. nw., vr.. — Z. Sjalsteek, I.

Men breit de duvelsteek met twee priemen. Men breit de rechtsche steek en neemt de lits mee ; de averechtsche steek neemt men averechts af zonder breien en men slaat den draad over den priem.

DUZENDZIN , z. nw., m.. — Spotnaam, iemand die veranderlijk van gedacht, onstandvastig van karakter is.

DWEE (scherpe e), DWEI, z. nw., m.. = Afkeer, tegengoesting. Nen dwei van't werken hebben.

DZOLEN. — In de gep. woord.: Van holen noch dzolen weten, van niets.

Sluiten