Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HINNE , z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : U laten beetnemen gelijk een hinne op heurei nest, u uit domheid en zonder verweer laten be driegen.

HINNEPIS, z. nw., m.. — Z. I.

— = Alle flauwe, slechte drank. Dat bier is hinne pis.

HIPSCH , bijv. nw. en bijw.. = Hupsch , flink C. R. Een hipsch manneken.

HOEBEL . z. nw., m.. — Z. I.

— = Bult.

— = Persoon die eenen bult heeft.

HOED . z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Iemand ynen hoed, passen, foppen, bedriegen

HOEK , z. nw., m.. — Z I.

— = (Piersp.) Kegel die op den hoek van de bo: staat. Nen hoek opzetten.

HOEKHOUT, z. nw, o., HOEKKEGEL, m. = Kegel die op den hoek staat. Het hoekhout i: gevallen.

HOF, z, nw., m.. — Z. I.

— = Moestuin, tegengesteld aan boomgaard.

— De hof van eene zweer, kringvormige overgang tus schen de ontstekene plaats en de vrije gezonde weefsels.

Bij D : « kring rond de zon of maan. »

HOLDERDEBOLDER , z. nw., m.. — Z. I.

— bijw . = Onderstboven, hals over kop. V.. Holderdebolder liggen.

Ook hulderbulder.

HOLIJS. z. nw., o.. —Z. Zolderijs.

HOLLEKENSMAT, z. nw., vr.. = Stoelenmal uit riet en niet vol gevlochten.

HOLLEKENS VIER, z. nw., o.. — Hollekensviet trekken, van eene sigaar die niet volledig doorbrandt.

HOMPELDEPOMPEL, bijv. nw.. — Om het geheugen der kinderen te beproeven, zegt men soms het volgende een of tweemaal voor :

Op 'nen hompeldepompelen dijk ,

Stond een hompeldepompelen huis ;

In dat hompeldepompelen huis,

Woonden hompeldepompele menschen ; Die hompeldepompelde menschen Hadden hompeldepompele kinderen ; Die hompeldepompele kinderen Aten hompeldepompelen pap Met hompeldepompelen pollepels.

HOND , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Iemand'nen hond zetten, eene poets spelen. Metnen dat Keizers hond uw zwager is, u veel laten voorstaan.

HONDSMADALEN, z. nw., ? — Hondsmadalen met korenten gestoofd, antwoord op de onbescheiden

| vraag : Wat hebt gij geëten ? — Z. ook Hollehensnoten.

HONKELDEKONKEL. — Kinderspel. Twee spelers. De eene neemt een voorwerp (knop, speld, marmel, knikker) in de eene hand, draait de twee vuisten om malkander en zegt: Honkeldekonkel, welk is mijn beste nonkel ?.... Dan toont hij de twee gesloten vuisten aan den kameraad die raadt in welke der vuisten het voorwerp zit. Onder het raden zegt deze ; Dal graad ik, en wijst op de eene vuist, dat snaad ik, en wijst op de andere, en dat wil ik openhebben, en wijst op de eerste vuist.

HONSELDEBRONSEL, z. nw., m.. — Z. Hosseldebrossel.

HOO(F)DENDE , z. nw., o . - Z. I.

— Z. Hoodakker, I.

HOOF D)PULM, z. nw., m.. = Hoofdkussen, hoofdpeuluw. D. S.

HOOGDAG, z. nw., m.. — Z. I.

— Zijnen hoogdag krijgen, de H. Communie.

Wordt van de zieken gezeid die de H. Communie ten huize ontvangen.

HOOGE , z. nw., m.. — Z. I, i°.

Spr. : Hij meent den hoagen afgeschoten te hebben, iets bijzonders verricht te hebben.

HOOGLAND, z. nw., o.. = Land dat hoog ligt.

Het wordt tegenovergesteld aan polderland.

Voor : zijn land is hoogland, zegt men ook zijn land ligt ten hoogen.

HOOGSPRIET, z. nw., m.. — Z. Wipper, I.

HOOGSTE, z. nw., o.. — Z. I.

Spr.; Bij iemand op 't hoogste staan afzitten, er veel te zeggen hebben, er bemind , geacht worden.

HOOIMIJT, z. nw., vr.. = Hooge hooistapel.

Bij V. : hooischelf.

HOOP, z. nw., m.. — Z. I.

— Hoop en al, i« ten hoogste, met een gedacht van minachting. Gansch de stoet bestond hoop en al uit i5o man. 2° Alles gerekend. De bode bracht u twee brieven en drij gazetten dat was hoop en al.

HOOPOVERSHOOP, bijw.. — Onderstboven. Hoopovershoop vallen.

HOOPTE. z. nw., vr.. = Hoeveelheid , hoop.

Waar er hoopte is , is niet altijd opbrengst. De hoeveelheid is er, maar de hoedanigheid kan ontbreken.

Z. Verdam , bij hoopt.

HOOREN, werkw., overg.. — Z. I.

Spr. : Hooren, zien en zwijgen doet rust en vrede krijgen.

= biecht hooren. D. Hij heeft vandaag veel volk gehoord.

Sluiten