Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KNIEZELING, z. nw., vr.. —Z. Knieseling. D.

KNIPPELS, z. nw., m., meerv... — Z. Knippens, I.

KNOOPSPOEL, z. nw., vr.. = (Kamsl.) Gewone breispoel dienende om de kammen te herstellen.

KNOPPENDRAAIER, z. nw, m.. — Z. Knopbeetel, I.

KNOTTER. z. nw., m.. — Naam aan korte dikke personen, dieren en zaken gegeven. Dikke knotter.

Ook hnuiter.

KNUISTEN, werkw., overg.. = Met de vuist bewerken. Deeg knuisten.

KOE JAAR. z. nw., o.. — Jaar gunstig voor den veekweek.

Spr. : Als de donder op 'iten uit gedr oogden boom valt. is 't een slecht koejaar. Z. Donder.

KOELMEULEN, z. nw., m.. = (Brouw.) Bewegend toestel, molen boven de koelbakken om het bier te koelen.

KOETER. z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Iemand koeter eten, alles opeten wat er voorhanden is.

— = Stomp mes , ook botte koeter geheeten.

KOETSEPEERD, z. nw., o.. \- Die naam en

al de onderstaande gelijk ook dopper, beteekenen vooral de groote libellule.

KOLF. z. nw., m.. = (Nonspel) Stoot met het nonhout tegen eene andere non.

KOLFEEREN, werkw., wederk.. = Warmen. Zich aan de stoof kolfeeren.

KOMMELIJK, bijv. nw., enkel als gezegde. = Waar men kan komen. Het is in de haven niet kommelijk van het groot getal schepen die er liggen.

Ontkennend en vrag. gebezigd.

KONKEL, z. nw., m.. = Gewone handelwijze, gewone bezigheid. Ge moet vader zijnen konkel laten doen, de man is te oud om te veranderen.

KONSJUS , bijw..'= Kwansuis. C.

Bij D. konsuis; bij S. honsuus.

KOOF (scherpe o), z. nw.-, vr.. — Z. I.

— Schimpnaam op eene vrouw. Domme koof.

— — Vrouwenslaapmuts.

Bij V. : « Zuidned. kuifmuts. »

KOOP , z. nw., m.. -— Z. I.

Spr. : 't Is beter een verloren loop ah een kwade koop.

KOOPEN, werkw., overg.. — Z. I.

Spr. ; In 't koopen of in 't vrijen is niemand te mij en.

KOOREN , z. nw., o.. — Z. I.

Spr. : -)- De tarwe bloot, en 't kooren in 'i stroot en de haver in 't kaf, zoo geraakt het er al af.

KOORE NjRIJF, z, nw., vr.. — Z. Schuurrijf, I.

KOOTLAM (vachte o), bijv. nw.. = Verlamd aan de beenen door te weinig beweging.

Wordt meest van dieren, soms van personen gezeid. Dat konijn is kootlam.

Gewest, bij V..

KOP, z. nw., m., — Z. I.

— = (Breist.) Uovenste omgebogen en verdund deel van de naald eener breimachine.

KOPBAND. z. nw., m.. — Z. I.

— = (Smid) Band tusschen den hals en den pot eener kamerkachel.

— = IJzeren band aan de kimming van eene ton. C.

KOPERGOED . z. nw., o.. ^ Koperwerk.

KOPPELNAGEL. z. nw., m.. — (Voerman) Groote nagel die den langwagen aan het voorste deel van den wagen verbindt.

KOPSTUK, z. nw , o.. — Z. I.

— = (Timm.) Bovenste deel van eene kas, van eene inlijsting, enz..

— = Hoofdeinde eener doodskist.

— = (Timm.) Einde van een stuk hout dat in een ander stuk hout vergaard wordt.

KORNELIEBEES (zachte e), z. nw., vr.. .= Kornoelje.

KORNELIEBEZELEER (zware e), z. nw., m.. = Kornoeljeboom.

KORT, bijw.. — Dicht. V..

Spr. : Kort bij den grond is gauw gebukt, troost voor kleinen.

KOSTER , z. nw., m.. — Z. I.

Spotrijmken :

Koster,

Paternoster,

Slaagt den koster op zijn hoofd Dat de broek van zijn gat afslooft.

KOT , z. nw, m.. — Z. I.

— = (Nonsp.) Put in eene non door eene andere gemaakt. Hij kapte een kot in mijn non.

KOUD, bijv. nw. en bijw.. — Z. I.

Spr. : Iets niet koud laten worden, van de gelegenheid aanstonds gebruik maken.

KOUD, z. nw., o.. — (Schoenm.) Nen schoen in 't koud aftrekken, met een houten bezegel.

Den schoen in 't heet aftrekken gebeurt met een verwarmden bezegel.

KOUKOOL (zachte o), z. nw., vr.. = Smid die weinig werk heeft, wiens vuur veel uitgedoofd staat.

KOUTZAAM, KOUTZAMIG, bijv. nw.. = Praatziek , genegen tot kouten.

KRABBE(N)KOKER, z. nw., m.. — Schimpnaam op eenen manspersoon.

Sluiten