Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LIJN , z. nw., vr.. — Z. I.

— Een lijn van een vrouwmensch , traag, dom en onhandig vrouwmensch. C. D.

LIJNEN, werkw., overg. en onov. (hebbni). = Visch vangen met de hengelroede. Hij stond te lijnen aan den kant van de rivier.

LIJS, bijw.. — Z. Allijs. Hij zal met zijn geld lijs toekomen.

LING, z. nw., vr.. = Langwerpige visch, vorm van kabiljauw. De bovenste vinnen zijn aan malkander. Zijn vleesch is zeer taai. Het volk gebruikt de vergelijking : zoo taai als een ling. K. linghe, lenghe — piscis ex asellorum genere.

LINGEREN, werkw., onov. (hebben). — -|- (Marmelsp.) De hand een weinig ter zijde houden van de plaats waar men ze houden moet, om op die manier beter, juister met den marmel te schieten.

LINKEN, werkw., onov. (hebben). — Z. I. Het j voorlaatste vers van het raadsel dient te zijn : Dat hinkt en linkt.

LIP. z. nw., vr.. = (Breist.) IJzeren voorwerp eener breimachine dat door eene opening den te verbreien draad in den kop der naalden legt.

LIST, z. nw., m.. — Z. I.

Gep. woord. : listen en lagen. Omgaan met listen en lagen.

LOCHT, bijv. nw.. — Z. Lichten I.

— Lochtei, een weinig gekookt. S.

— Lochte matroos, matroos die op groote schepen gelast is de zeilen der bovenste raën te binden en te ontbinden. Hij is gewoonlijk licht.

Zware matroos, matroos die op groote schepcn belast is met het binden of het ontbinden der zeilen van de onderste raën. Hij is gewoonlijk zwaar.

LOEBADOE (klemt. op loe), z. nw., m.. — Z. Loebas, I.

LOEF, z. nw., m.. — Wordt gezeid van menschen en dieren die zwaar en dom zijn. D. Dat is een loef van 'nen vent.

LOEKE, z. nw., vr.. — Schimpnaam op vrouwen. Domme loeke !

LOET, z. nw., vr.. = Luim , gril. C. D. S. Cl. Hij krijgt zijn loeten weer.

Zuidned. bij V..

LOETEN, werkw., overg.. — Z. ï.

— onov. (hebben). — Drinken. Hij kan 's Zondags goed loeten.

LOETSEN, werkw., onov. (hebben). = -f- Zuigen ; zuigende drinken. Ge moet aan die flesch zoo niet loetsen , drink liever deur.

Bij C. lotsen.

LOGIE, z. nw., vr.. = -- Aftrek, overdekte plaats

waar men allerhande voorwerpen in het droog brengt. C. D. K. casa.

— Z. I.

LOKEREN, z. nw., c.. — Stad van't land van Waas.

Spr. : Van Lokeren komen, een grooten hemdsband of groote halsboorden hebben.

LOKVOGEL,z.nw.,m..-Z. I.

— = Iemand die anderen uitlokt of verleidt. De herbergdochters zijn dikwijls lokvogels veur de jonkheid.

LOMiMEV z. nw., vr.. — Z. I.

— = Schaal ijs die uitgekapt is. De boeren zetten 's Winters dikwijls veur de keldervensters een lom.

LOMMER , z. nw., m. en vr.. — Z. Wdb..

'Spr. : Iemand in de lommer leeden, hem bedriegen, foppen.

LOMP, bijv. nw. en bijw.. — Z. I.

— = Zeer, uitermate. C. T. Lomp groot. Lomp zwaar.

LOOD, z. nw., o.. — Z. I.

— = Behoorlijke toestand , stoffelijk en zedelijk. D. S. R. Die muur staat in het of heur lood. Ik weet niet wat ik heb, ik ben vandaag in mijn lood niet. Hij was uit zijn lood , als hij dat hoorde.

LOODSKOTTER, z. nw., m . = (Schipp.) Tweemaster bestemd om de loodsen aan boord der binnenkomende schepen te brengen of om naar de vuurschepen eten te voeren.

LOOIDAG, z. nw., m.. = Feestdag van Sint Andries en vooral van Sint Elooi.

LOOIEN, werkw., onov. (hebben). = Sint-Andriesen vooral Sint-Elooisfeest vieren. D.

LOOIPUT, z. nw., m.. = (Huidevetter) Put waar de huiden in gelooid worden.

LOOIWATER. z. nw., o.. = (Huidevetter.) Water met run toebereid , waar de huiden eenigen tijd in moeten trekken.

Z. Verdam.

LOOM, bij. nw.. = Zwoel, zeer warm. Het is loom vandaag , het zal donderen.

LOOPEN, werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. I.

— = (Schipp.) Varen. Dat schip loopt goed.

LOOPKEN z. nw., o.. — Z. I.

— = Kleine weg die maar eenige meters verre loopt.

LOOPSCHOOR (scherpe o), z. nw., o.. — Z. Loopstaak. D.

LOOS (zachte o), z. nw., vr.. = -f- Goede verwachting , hoop op iets. C. S. Cl. Ik ben nog niet aanveerd, maar ik heb toch loos gekregen.

Bij R. laus. ioo.

Sluiten