Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MANKEMENT, z. nw„ o.. = Gebrek, fout, verminking. C. D. S. R. Dat peerd heeft een mankement aan zijnen poot.

MANSKEREL, z. nw., m.. = Manspersoon. C. S. Cl.

Gewest, bij V..

MARKT, z. nw., vr.. — Z. I.

— De markt doen, naar de markt gaan om den wekelijkschen voorraad te koopen of te verkoopen. D.

— Markt komt in veel samenstellingen , waardoor stoffen, voorwerpen aangeduid worden die maar gemeen zijn , gelijk gewoonlijk al wat men op de markt koopt. Markthemd, marktteer, marktschoen, enz..

Spr. : 't Ende alle markten zijn , ten einde raad , niet meer weten wat aanvangen. Ik heb een goede, slechte markt gehad, veel of weinig op de markt verkocht. 'tWas een galante, stege markt, volgens dat de waren gemakkelijk of moeilijk verkocht raakten.

MARTEN, z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : -)- Dan zult ge weten waar Marten zijnen wijn tapt, dan zal het blijken hoe de zaak staat, dan zullen uwe leugens uitkomen, enz..

MASTEPIN, z. nw., o., MASTEPROP, m.. = Grove brok hout, wortel van eene uitgeroeide spar.

MASTESCHEI, z. nw., vr.. — Gekloven stuk hout van eenen masteboom. De mastescheien zijn gewoonlijk eenen meter lang en worden veel door de bakkers gebezigd om hunnen oven te heeten.

MEERDE (zware e), z. nw., vr.. — 't Is een meerde, 't is mis, 't is niet gelukt.

MEER)S(CH)KOR(T)S, z. nw., vr.. = (Ziekte) Zachte polderkoorts.

MEERT, z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : Een drooge Meert en een natte April is de boeren hunne wil. In Meert is elke bie een duitje weerd,

MEERlT)S(CH) (zware e), bijv. nw.. — Z. I.

Spr. : Meertsche buienen Aprilsche grillen doen de boerkens drillen.

MEIMOT, z. nw., vr.. = Witte, zware mot die veel, in de Lente, op canadaboomen aast.

MELK. z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— Het graan komt of ligt in zijn melk, begint te kiemen. D.

MELKEN, werkw., overg.. — Z. I.

— onov. (hebben). = Duiven keuren. Hij stond aandachtig te melken om te weten wat er de felste van de twee duiven was.

MELKER, z. nw., m.. — Liefhebber van duiven , van konijnen of van bieën.

MELKMUIL . z. nw., vr.. — Schimpnaam, bleek gezicht.

Bij V. : « lafbek , vlasbaard. »

MELKTEEL, z. nw., vr.. \- Liet staat voor

laat gedrukt.

MELLE , z. nw., o.. — Dorp van Oost-Vlaanderen.

Spr. : Ze naaien gelijk die van Melle, alle steken een elle.

MENNEGAT. z. nw., o.. — Z. I.

Spr. ; De koeien willen bij het mennegat niet weeden, men vrijt liefst ver van huis.

MERK. z. nw., + m.. — Z. Merk, I.

Spr. : Op Sinte-Merk plant men boonen en gaat men naar de kerk.

MERRIE , z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : De grijze merrie rijdt, er is een dikke mist.

MERRIEZEEK, z. nw., m.. = Slechte drank.

MES , z. nw., o.. — Z. I.

— 't Leste brood is aan 't mes, wij zijn bezig met het laatste brood te snijden.

MESGRAAF. z. nw., vr.. = (Boer) Spade dienende om den mest uit te steken.

MESSING, z. nw., m.. — Z. I.

Spr.: Kleine messing, kleine graanzolder. Zoo nat als een messing, doornat.

MESWAGEN , z. nw., m.. — Z. Mennewagen.

METEN, werkw., overg. en onov, (hebben). — Z. I.

— = Maat hebben. D. Hoeveel meet gij ? Die muur meet zeven meters in de hoogte.

METSEN, werkw., overg.. — Z. I.

— = (Nonspel) Met het nonhout de non in den grond boren. Niet metsen, zulle !

METSER , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Met de metsers zitten , den afgang hebben.

METSTROUWEEL, z. nw., o.. = (Mets.) Truweel om te metselen. C. D.

MEULEN, z. nw., m.. — Z. I.

— (Kinderspel) Meulekens leggen , van den vlieger gezeid, wanneer hij gedurig ronde bewegingen maakt, omdat de steert niet lang of zwaar genoeg is.

MEUTELACHTIG, bijv. nw. en bijw.. =Brokkelachtig. Meutelachtige kaas is de beste.

— Z. I.

MIERENNEST, z. nw., m. (niet o.). — Z. Wdb..

— Hij heeft 'nen heelen mierennest kinderen, zeer veel.

MIEROOG, z. nw., vr.. = Duif met twee verschillend gekleurde oogen.

MIJDEN, werkw., overg.. — Z. I.

Spr. : In 't koopen en 't vrijen is niemand te mijen.

— = Uit den weg maken. Mijd uw handen of ze zijn gepledderd.

Sluiten