Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al de marmels achtereen uit de bos schieten. De bos muizen.

MULDERSGETAL. z. nw., o.. = Eigen manier van eiken mulder om het gewicht der zakken aan te duiden. ~g' = j5.

MULM , bijv. nw.. — Z. Murg. I. Die appels zijn al mulm.

MUNT, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. ; Iemands munt nog niet gezien hebben, er nog niet het minste geld van ontvangen hebben.

MUNTALMANAK, z. nw., m.. = Plakalmanak waar de gangbare en niet gangbare muntstukken op afgebeeld zijn.

MURG, bijv. nw.. — Z. I.

— Wordt ook gezeid van verstikt of half verrot hout. Die eeken staak is van onder murg geworden en afgebroken.

MUSCH, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

— Maar eten veur een musch of muis, zeer weinig eten.

MUSS(CH)ENBLOK, z. nw., m„ = Houten schoen dien men in de boomen hangt om er musschen te laten wonen.

MUSSCHE(N)KOPPEN, z. nw., m., meerv.. = Kleine klompkens steenkolen zonder gruis.

MUSSCHE(N)LIJM , z. nw., m.. = Lijm om musschen en andere vogels te vangen. Hij is gemaakt van lijsolie die men in een verschen pot wat branden laat.

MUSSELIJZER, z. nw., o.. = (Smid.) IJzeren staaf om mussels op te maken.

MUTTEKENSLIEFDE , z. nw., vr.. = Kalverliefde.

MUURLEEST, z. nw., m.. = (Schrijnw.) Onderste lijst der kornis die aan den muur raakt.

MUZIEK, z. nw.,'o.. — Z. I.

— (In 't kaarten) zonder muziek, zonder toon (roemï, woordenspel. Ik speel veur honderd zonder muziek.

•^5 N"

NAAIWERK, z. nw., o.. — Z. Wdb..

— (Schoenmak.) Schoenen met naaiwerk, schoenen waarvan de schachten op de hielen genaaid zijn.

NAALDE , z. nw., vr.. — Z. I.

— = (Breist.) Lang en dun voorwerp dat in het bed van de breimachine beweegt en door zijn op- en neergaan het breiwerk voortbrengt.

NAARGANG, z. nw., m.. — Te tiaargang komen, ten aangang komen. Z. Aangang, I.

NAARZIG. bijv. nw. en bijw.. — Z. Nasscher. I. Naarzig naar 't geld zijn.

NAARZIGHEID, z. nw., vr.. = Drift, begeerte. Z. Nasscherigheid. De naarzigheid naar 't geld zit er al in.

NAAST, voorz . — Z. I.

— Naast en bij, omtrent, 't Gaat naast en bij tijd zijn om te vertrekken.

NAASTEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Nosteren of Doezen.

NACHTERGAAL, z. nw., m.. — Z. I.

Het lied van dezen vogel wordt zoo vertaald ;

Mijn wijveken , mijn wijveken Is zieke , zieke ,

Ze sukkelt altijd.

Of wel:

Waar zal ik mijn nestje gaan draaien In 'nen doornleren struik ?

De kwade jongens trekken mijn nestjen ut, ut.

NACHTPADDE, z. nw., vr.. = Man of vrouw die 's avonds laat uitzit en langs de straten loopt.

NACHTZITTEN, z. nw., o.. = Het laat uitblijven in de herbergen.

NACHTZITTEH, z. nw., m.. — Z. Nachtuitzitter.

NAGELBAK, z. nw., m.. = Houten bak waar timmerman, schrijnwerker enz, zijne nagels in bewaart.

Spr. : Met zijn wezen in 'nen nagelbak gevallen zijn , pokdalig

NAGELHAMER, z. nw., m.. = (Wagenm.) Kleine ijzeren hamer om nagels in het hout te slaan.

NAMIE, z. nw., m.. — Nooit geenen noetnie of namie met iemand hebben, nooit eenigen twist of eenig geschil.

NASS CH;ER, bijv. nw.. - Z. I.

— Op of naar iets nasscher zijn, er begeerig naar zijn, het geerne hebben, eten of drinken. Nasscher zijn naar groen fruit.

NASS(CH)ERHEID , NASS CH)ERIGHEID , z. nw., vr.. — Z. I.

— = Drift, begeerte.

NATXEPEERD, z. nw., o.. - Z. I.

— Spotnaam, groot en kloek vrouwspersoon.

NATTE, z. nw., m.. = Nat weder, 't Heeft al drij dagen een natte geweest.

Zoo ook slechte.

Sluiten