Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O 0.^

OEP-SIGNOOR, z. nw., m.. — Volksvermaak. Vier mannen gaan elk aan den hoek van eene sargie, al zingende :

En den oep-signoor En die ligt in de school En ons manneken doet zijn devooren.

En aleen, en altwee, en aldrij,

En ons manneken is zoo blij.

En , onder 't zingen van aldrij, wipt men den gemaakten man met eenen schok de lucht in Als deze weer in de sargie ligt, gaat men voort en herhaalt hetzelfde deuntje. Zoo loopt men de straten door.

Ook op-signor. D.

OESCHAARD , z. nw., m.. — Z. Osscliaard. S.

OESTERS(CH'. bijv. nw. enbijw.. — Z. Iestersch, I.

OFFERKEERS, z. nw., vr.. = Keers die men in de hand houdt, als men offeren gaat.

Ook spenderhen.

OKENKAMPEN, OKENKAPPEN, werkw., onov., scheidb.. — Z. Okenzeehen, I.

OLIEBOON, z. nw., vr.. = Slechte koffieboon. D.

OM , voorz. en bijw.. — Z. I.

— Waar ervan snijtuigen spraak is, beteekent om, in de sameng. werkw., dat de snede omgebogen is. Cl. Vandaar omdongen, omgaan, omkappen, omkrijgen, omschaven, omslijpen, omsnijden, omsteken, omvallen, omzagen. Cl.

OMEFFEN, bijv. nw. en bijw.. Oneffen. De omeffen centiemen moet ge niet betalen.

OMKEER, z. nw., m.. = Omdraai. D. K. circuitus. Hij keek om aan den omkeer van de straat.

Zuidned. bij V..

Z. Verdam.

OMKROK, z. nw., m.. = Omdraai. Aan den omkrot van de straat.

OMROL, z. nw,, m.. = (Kleermak.) Liggend deel van den kraag, omslag.

Het ander deel dat rechtstaat, heet de staande band.

OMSCHUIFELEN , werkw., overg.. — Z. Schuifelen (Boer), I.

OMSTOPPELEN. werkw., overg.. — Z. Stroopen, boer, I.

OMSTUIKEN, werkw., overg.. —Z. Omzwihhen, 2° S.

OMVERGERAKEN, werkw., onov. {zijn). = Vallen , omkantelen. Als ge dien boom niet dieper uitkapt, zal hij nooit omvergeraken.

— = Ziek worden. Als ge niet rust, zult ge zeker omvergeraken.

OMZWIKKEN, werkw., onov. (zijn).= Door te waggelen omkantelen. De hooikar is omgezwikt.

— overg. = Omslaan, verwringen. Ik heb mijnen voet omgezwikt met op 'nen steen te loopen.

Zoo ook omstuiken.

ONBELAST, bijv., nw.. — Z. Wdb..

Gep. : Zuiver en onbelast, vrij van lasten en renten. Dat huis is zuiver en onbelast.

ONBETAAMD, bijv. nw.. = Onbetamelijk. D. S. Onbetaamde woorden zeggen.

ONDER, voorz. en bijw.. — Z. I.

Spr. ; Onder of boven, op goed valle 't uit, verloren of gewonnen. Ik avontuur het, onder of boven.

ONDERAAN, z. nw., m.. = (Kaartspel) Kaarten die onmiddellijk op de troefkaart volgen en aan den speler toekomen die de kaarten geeft. Ik had drij troeven in den onderaan.

ONDERBAAIEN, werkw., overg.. — De voeten, de schoenen onderbaaien, zoo diep in het water of in het slijk baden dat de voeten of de schoenen overdekt zijn. Het slijk was zoo plat, dat wij onze knieën onderbaaiden.

ONDERBEEN (scherpe e), z. nw., o.. = (Timm.) Onderste deel van ieder der gebintbeenen. Boven het onderbeen komt het verken dat het bovenbeen steunt. »

ONDERGETREK, z. nw., o.. = Onderste deelen van een samengesteld voorwerp, werktuig, enz.. Het ondergetrek van een stoof.

ONDERGROND, z. nw., m.. = Grondverf, eerste laag verf. De schilder heeft het meubel in den ondergrond gesteken.

ONDERMEULEN, z. nw., m.. = (Meul.) Eerste verdieping van den meulen, waar men de zakken weegt en met meel vult.

Sluiten