Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spr. : Die met een oud peeri rijdt, rijdt met zijn bors in zijn handen.

— = Ieder van de zijstukken der scheerbank.

PEERDEKEN. z. nw., o.. = Paardje.

— Z. Peerdskalf. I. Ons koe heeft gekalfd en 't is een peerdeken.

PEERDENDUIM, z. nw., m.. = Schertsende, klein verschil, kleine afstand. Het schilt maar 'nen peerdenduim.

PEERDE(N)MEULEN, z. nw., m . — Z. Mallemeulen.

PEERDEVIJG, z. nw., vr.. = Paardestront.

PEERDJE, z. nw., o.. — Z. Peerdje, I.

— Z. Drijf ikkel.

— = (Breist.) IJzeren of koperen voorwerp eener breimachine, dat de bewegende lip regelt, dat den wiep draagt en de gedaante heeft van een peerdje.

PEERDSCH), bijv. nw.. — Z. I.

— = Goed de peerden besturende. D. S. Die knecht is nog niet peerdsch.

PEETJELAP, z. nw., o.. — Z. I.

— = Zij die bij den doop de eigenlijke meter vervangt.

PEGELEER (zware e), z. nw., m.. = Die te spaarzaam en te nauwkeurig is in 't meten , 't rekenen en vooral in 't bedeelen. D.

PEISACHTIG, bijv. nw.. = Peinzend, diepzinnig. D.

PEIZER. z. nw., m.. = Diepzinnig mensch. D.

— = Verstand ; inbeelding. Ge moet uwen peizer gebruiken. Ge peist dit, ge peist dat : leg liever uwen peizer wat stil.

PEKBROEK, z. nw., vr.. = Iemand die niet weet van henengaan. D.

Ook plakbroek.

PEKEL. z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Iets in den pekel of in 't zout leggen, er meer voor bieden dan het weerd is , zonder het te koopen.

PEKELWUITEN, z. nw., m.. = Pekelharing , uit scherts.

PEKKER, z. nw., m.. = Schoenmaker, schoenlapper. C.

PENNEN, werkw., onov. (hebben). = Met de pen werken , schrijven. De student moet pennen, veurdat hij mag wandelen.

PENNING, z. nw., m.. — Z. I.

— meerv.. = Geld. Als hij zoo blijft drinken, zullen zijn penningen gauw weg zijn.

PENSPUT. z. nw., m.. = Groote waterput, drenkplaats voor 't rundvee.

PEREL, z. nw., m.. Z. I.

— = (Oogziekte) Cataracte. V. C. D.

— = (Oogz.) Litteeken eener genezene hoornvlieszweer , leucoma.

PEUZELBEET (zachte e), z. nw., vr.. — Een weinig van zeker eten, dienende niet om den eetlust te voldoen, maar om wat bezigheid te hebben.

PIEPELINGEN, werkw., onov. (hebben). =(Vink.) Piepelingen vangen.

PIEPEN, werkw., onov. (hebben). — Z. I.

Spr. : Die 't eerst geriekt. zijn holleken heeft gepiept, antwoord op- de vraag : wie heeft dien wind gelaten ?

— overg.. = (Piepkenduik) In zijnen schuilhoek vinden, ontdekken. Kom maar uit, ik heb u gepiept.

PIETE. PIETEN, PIETER. — Wordt, als men tot kinderen spreekt, vóór sommige z. nw. gezet, om de genoemde zaak als verkleind en bevallig voor te stellen. Pietevogel, pietenhandje, pietenoogsken, pietevoetje, pietenoorken, pietevinger, pieterolieken, enz..

PIETENOLIE. PIETEROLIE. z. nw., vr.. = Speeksel, bij kinderen gebruikt, 't Zal gauw genezen zijn , ik zal er wat pieterolieken aan doen.

PIJL , z. nw,, m.. — Z. I.

— (Timm.) Pijl van de zaag, lat die de twee beugels verbindt.

— = (Kindersp.) Loodrechte stok in 't midden van 't geraamte des vliegers.

— = (Wever) Stijl van iederen zijkant eensgetouws.

PIJLEN, werkw., onov. (hebben en zijn). ----- Stralen, spatten. Het water kwam uit de bron gepijld.

PIJLMAN, z nw., m.. — Naam van cijfer 1 in 't kienspel.

PIJPEN, werkw., onov. (hebben). — Z. I.

— overg.. Biezen pijpen , biezen uitrukken.

— onov. (hebben). — Loskomen , van biezen gezeid. In 't voorjaar pijpen de biezen goed , want het onderdeel der bies komt dan gemakkelijk uit de pijp waarin zij vastgegroeid was.

PIJPKEN, z. nw., o.. — Z. I.

— = (Breidster) Papieren buisken waar een draad op gewonden is,fuseau.

PIKBLAD. z. nw., o.. = (Boer) Klein planksken dat van achter op de pikwerf staat.

PINBAND. z. nw., m.. = (Meulen) Band die rond de pin der as ligt, opdat de pin min verslijte. C.

PINNE, z. nw., vr.. — Z. I.

— Pinveken, o , stoot met de pin op eene andere v non.

Een stoot met het nonhout heet kolf.

PINNEN , werkw., onov. (hebben). - Z. I.

Sluiten