Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pompsteen en kan verplaatst worden, terwijl de pompsteen vastligt.

PONDKEERS, z. nw.,vr.. = Wassen keers die een pond weegt.

POOT, z. nw., m.. — Z. Wdb..

— Te poot zijn, op de been. C. De ouderling is nog goed te poot.

POOT (zachte o), z. nw., vr.. 1- Beteekent'bijna

altijd canadapoot,

POP, z. nw., vr.. — Z. I

— = Wrong', streng. Een pop saai.

POPPE N GOED, z. nw, o.. - Z. I.

— = Gemeene kleederstof. Al wat zij draagt, is maar poppengoed.

PORTEFOELIE, z. nw.. vr.. = Brieventasch, portefeuille.

PORTRET, z. nw., o.. — Z. Wdb..

Spr. : Iemands portret trekken, iemand over den hekel halen.

PORTRETTENTREKKER. z. nw., m.. = Vitter, kwaadspreker.

POT , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Eten wat de pot kookt, eten wat er opgediend wordt.

— — -f- Oude maat van éenen liter inhoud.

— — (Breister) Potvormig voorwerp van de ronde breimachine waar de lange naalden loodrecht in vastzitten.

PRAATZAAM, PRAATZAMIG , bijv. nw.. ■= Praatziek, genegen tot praten.

PRATIJKIG, bijv. nw.. — Z. Partijkig, I. C.

PREUTOOG, z. nw., vr.. = Brandig, vuil. draddelachtig oog.

Ook prutoog.

FRIEMEL. z. nw., m.. = Kleine hoeveelheid, beetje, vezel. Na zijn dood was er geen priemelken vleesch meer aan.

Z. ook Priem.

PRINSES, z. nw., vr.. —Z. Wdb..

Spr. : Gekleed gaan gelijk een prinses, zeer prach.tig.

PROCHIERAAD. z. nw., m . = Gemeenteraad.

PROFIJTEBEES, z. nw., vr.. — Z. Profetebees.

PROFIJTER, z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Ze zouden hem op '?ien profijter mengen zetten. hij is zeer klein van gestalte.

PROFIJTIG, 4" bijv. nw. en bijw.. — Z I.

— bijw.. Profijtig spreken, op stelligen toon. *

PROLLEN, werkw., onov. {hebben). — Z. I.

Gep. : Grollen en prollen, knorren, ontevreden zijn.

PRONT, bijv. nw. en bijw . — Z. I.

— == Deftig , behoorlijk. C. Hij handelt niet pront met u. Beloven en niet doen is niet pront.

PROPPEN. werkw., overg.. — Slikken, zwelgen. De onderaardsche goot kan 't water niet proppen.

PROPPENHOUT, z. nw., o.. — Zware stukken voortkomende van 't onderste en van de wortels

van gevelde boomen.

PROTEKOLLEN, werkw., onov. [hebben). = Al knorrende redekavelen. tegenpreutelen. C. S. R. Cl. Ge zijt nu al een half uur bezig met daarover te protekollen en de zaak is nog niets gevorderd.

PRUIMEN , werkw., onov. {hebben). Z. I.

— Op iets pruimen, begeerig op iets kijken zonder er iets van te kunnen genieten. S. Hij zat paling te eten en wij stonden er op te pruimen met 'nen leegen buik.

PRUIMS CH>. bijv. nw. en bijw.. = -(- Ernstig ; ontevreden. Dat ziet er een pruimsche heer uit.

Gewest, bij V..

PRULLEMAN, z. nw., m.. = Talmer, nutselaar.

— = Prullevent. V.

PRUTOOG, z. nw., vr.. — Z. Preutoog. C.

Bij V. : tranig oog.

PUINEN, z. nw., m., meerv.. — Z. Puien, I. C. S.

PUKKIG. bijv. nw. en bijw.; = Kwaad, gram. Ge meugt u niet pukkig maken.

PUNT , z. nw., o.. — Z. I.

— Op zijn punt zijn , stipt ; ernstig , deftig. T. R.

PUTJEROLLEN, werkw. onov. [hebben), scheidb.. — Z. Jaren in den put.

RAAKSPRIET, z. nw.

Steel van eene

raak die gespleten of in vorm van spriet gegroeid is.

RAAPZAK, z. nw., m.. --- Zak waar de arme menschen na den oogst graan in rapen.

RAND , z. nw., m.

Z. I.

— = (Breister) Rond voorwerp van de ronde breimachine waar het slot in vastgemaakt is en waar de pot in draait.

RANKOENEN . werkw., onov. (hebben). — Twis-

Sluiten