Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

RONDDRAAIER, z. nw.,m.. = (Breist.) Machine waar men moet aan draaien om het slot te doen afspreken.

RONKER, z. nw., m . — Z. I.

Spr. : Ronkers zien , armoede lijden.

— = Meikever. D. S.

ROOKER, z. nw., m.. — Z. Wdb..

■—■ = Houtskool dis nog niet genoeg uitgebrand is. D. Ge moet oppassen dat ge geen rookers in mijnen vierpot legt.

ROOVERSBUIT, z. nw , m.. — 't Is er rooversbuit. op eenen oogenblik had ieder wat medegenomen , was alles weg.

— bijw, .= Gereed om gestolen te worden. Zijn kooien staan rooversbuit op zijnen akker.

ROSSEN, werkw., onov. (hebben). — In zijn bei rossen, pissen.

ROST, bijv. nw. — Z. I.

Spr. : Zwan van haar en rost van baard , teehens van 'nen slechten aard.

ROTTEKOP. z.nw.,m..—Scheldnaam, rotzak C.

RUFTIG, bijv. nw.. = Z. I.

— = Brandig, met puisten bezet. Het zwijn is ruftig.

't Wordt veel van de verkens gezeid.

RUIFZIEKTE. z. nw., vr.. = Ziekte der duiven waarbij zij ontijdig hunne pluimen verliezen die maar langen tijd nadien weerkeeren, zoodat de duiven soms heel bloot zitten.

RUILEN, werkw., overg.. = (Marmelsp.) Een eind ver rollen zonder te knippen. Den marmel ruilen.

Bij R. rullen = rollen.

RUISIG, bijv. nw. en bijw.. =- Bruisend, ruischend. Het water staat ruisig.

— = Onstuimig, wild. Een ruisig weer. De jongen is ruisig van manieren.

— = Ruig voor 't gevoel. Ruisig haar. Ruisig vleesch. Z. Ruisch, I.

RUISIGAARD, z. nw., m . = Ruwe persoon.

RUITENBREKER, z. nw., m.. = (Kindersp.) Top die, als men hem met de djak voortjaagt, genegen is om hoog op te springen en ja, in de ruiten te vliegen.

RUST, z. nw., vr.. = Roeststok. C.

RUST , z. nw., vr.. — Z. I.

— Bed. Vader is al een heele uur in zijn rust.

RUZIESTOKER, z. nw., m.. = Twiststoker.

6) S

SALET (klemt, op let), z. nw., o.. — De binnenkomende vraagt dikwijls : Is er geen belet in het salet ?

Z. ook Belet, I.

SAMMELEN, werkw.. — Komt voor in versammelen.

SAMOOS, bijv. nw. en bijw.. == Ziekelijk, slecht. Frans komt al op , maar hij ziet er nog samoos uit.

SAVEL, z. nw., m.. — Z. Verwisselhlink, I.

SCHABBARD, z. nw., o.. — Z. Kapberd, I.

SCHACHT, z. nw., m.. — Z. I.

— Schimpnaam, straatlooper.

SCHA(D/UWE. z. nw., vr.. - Z. I.

Spr. ; Geen schaduwe meer geven, zeer mager zijn.

SCHAF. z. nw., m.. — Aan den schaf zitten, eten. Gij kunt met ons nen boterham nemen, wij zitten juist aan den schaf.

SCHEELKEN, z. nw., o.. == (Breister) Schijf, disque. Een platliggende schijf van de ronde machine waar de kleine naalden in zitten om de ribben van het been der kousen te maken.

SCHEELTE (zware e), z. nw., vr.. — Z. I.

Bij V. : scheluwte, w. gebr..

— (Timm.) Een plank van scheelte kijken, zien, na het schaven, of zij effen , overal even hoog is.

— Van scheelte zijn, effen, vlak. Die planken zijn van scheelte.

SCHEENSCHAAF (zachte e), z. nw., vr.. = (Timm.) Schaaf dienende om schenen te'schaven.

Z. Scheen (wever).

SCHEER (zware e), z. nw., ?. — Op scheer zijn, op rits, op zwier.

SCHEERSBOOR (zware e, scherpe o), z. nw., vr.. = (Smid) Boor die men met een scheers vastzet.

SCHEET. z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : Beter een scheet gelost als zeven pond gekost.

SCHEI , z. nw., vr.. — Z. I.

— Spotnaam , lang, mager mensch. Wat veur een schei van 'nen vent !

SCHELP, z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : Iemand uit zijn schelp doen komen, hem dwingen zich door woord of schrift te doen kennen.

9

Sluiten