Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHUILHUIS, z. nw., o.. = Regenscherm. Laat het maar regenen , ik heb mijn schuilhuis mee.

SCHUIT, z/nw., vr.. — Z. I.

— Z. Aan tin.

SCHUIVER, z. nw , m.. = (Breist.) IJzeren latje dat aan het slot van eene breimachine vast is en dat het zijstuk van het slot buiten werk stelt.

— = (Breist.) IJzeren voorwerp dat aan den zijkant van eene breimachine vastgemaakt ligt om het slot te doen afspreken.

SEGO, (klemt, op go), z. nw., m.. — Oud muntstuk. Ik geef er geenen sego niet meer bij.

SENSIE. z. nw., vr.. — Z. I.

— = Rust. Als het elf uren was, had ik geen sensie meer, omdat hij niet weerkeerde.

SEUTEREN , werkw., onov. (hebben). Z. I.

— = Beuzelarijen verrichten. D. S.

— = Talmen, traag werken. S.

SEVA, z. nw., vr.. — Jozefa verkort.

SEVEN. z. nw., m.. — Jozef verkort.

Volksrijmken : Seven,

Laat mij leven,

'k Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.

SIJEN, voorz. en bijw.. = Bezijden , naast, nevens. Hij woont sijen ons huis ; hij woont sijen ons, maakt u van sijen mij weg.

— Van sijen, langs sijën, langs de zijde, op zij. Gij zijt van sijën aan uw broek beslikt. Z. Langszijdtn.

Ook Isijen.

SIM , z. nw., vr.. = Sukkel, onverstandige vrouw. D. S. T. R.

SINKERIJ, z. nw., vr.. = Overgevoeligheid. Roepen omdat er wat wind in de kamer komt, dat is sinkerij.

SINTER-UIT, z. nw., ? — Spr : Op 'I schip zitten van Sinter-uit, verplicht zijn zijn huis, zijne hoeve te verlaten.

SJALSTEEK (zachte e), z. nw., vr.. — Z. Duvelsteek.

SJEIËN, werkw., overg.. — Nen hond sjeien, ophitsen om te bassen en kwaad te worden.

Bij D. zuien.

Ook tsjeien.

SJOEFELEN. werkw., onov. (hebben). — Z. Sjoefen.

SLAAGS, bijw.. = Van pas, in de uitdrukk. : Slaags hommen.

Bij V. : (oudtijds.)

SLABAAR (klemt, op baar), z. nw., m.. — Z. Slaba ris, I.

SLACHTZOUT, z. nw., o.. = Grof zout vooral dienende om spek te zouten. C.

SLAG , z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Zijnen slag niet ophalen, in zijne onderneming niet lukken.

SLAG z. nw., m.. — Z. I.

— Op slag, seffens, zonder wachten.

SLAGEN. werkw., overg. en onov. {hebben). —Z.I.

— onov. (hebbsn). = Slingerend, niet recht vliegen. Die pijl is krom, hij slaagt bij elke scheut. Die ballebuis slaagt.

SLAGPEN, z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr : Hij heeft nog geen slagpennen, van eenen jongeling die nog jong is en zijne toekomst niet verzekeren kan.

SLANGSTUK. z. nw., o.. = (Breist.) Deel van het slot eener breimachine dat het hertje omhoog en omlaag doet gaan.

SLAP, bijv. nw.. — Z. I.

— U slap lachen. Z. Krom.

SLAVEN, werkw., onov. {zijn). = Slagen, lukken. De patatten zijn goed geslaafd.

SLEE, bijv. nw. en bijw.! — Z. I.

— = Versleten , afgesleten , effen , vam geldstukken gezeid. Een sleeë halve frank.

)- Slee vol beteekent, bij sommigen , niet gansch vol.

Hij doet altijd zijn maijden maar slee vol.

SLEEPHOUT, z. nw., o.. — Z. Kalf.

SLEEPKETING. z. nw., vr.. =Niet gespannen, slepende keten. De honden , op de boerenhoven, liggen op een sleepketing.

Spr.: Dat is geen mensch om los te loopen, hij zou moeten op een sleepketing liggen, ongewillige, woeste mensch.

SLENTER, z. nw., m.. = Gemeene praat.

-- = List, streek. Met slenters omgaan.

Bij G. en S. Slenders.

SLETSE N LEEST, z. nw., m.. = (Schoenm.) Leest met vaste schuif.

SLIDDER. z. nw., m.. — Kleed van zeer dunne stof.

SLIKKEROEN, z. nw., m.. — Z. Schrikkeljoen, I.

SLIMMEKEN, z. nw., o.. — Z. I.

Spr. : Als slimmeken dooi is, meugt gij het zijn, tot iemand die dom spreekt of handelt.

SLINGERBEENEN, werkw., onov. (hebben). = Met een slingerbeen gaan , moeilijk, half hinkende gaan, van menschen en dieren gezeid. Als de koeien 't strek hebben, slingerbeenen zij.

SLINKSCH, bijv. nw.. — Z. I.

— (Boer) Slinkscheploeg. Z. Rechtsch.

SLODDEREN, werkw., onov. (hebben). —Z. I.

— = Niet sluiten. De pin sloddert in dat gat.

SLOKKEMAN . z. nw., m.. - Z. I.

— = Groote eter.

SLOOTSEL (scherpe o), z. nw., o.. = Slootgras ,

Sluiten