Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riet, lisch , gras, alle planten die in de grachten ! en slooten wassen. Slootsel trekken. Slootsel wordt tot mest gebruikt of tot strooisel.

SLOOTSELTREKKER. z. nw., m.. = Korte I zeis dienende om het slootsel uit de grachten te kappen.

SLOS , z. nw., vr.. — Z. Sloes, I, i°. D.

SLOT , z. nw., o.. — Z. I.

— = (Meul.) Houten blok juist passende in het hol van den ijzerbalk en het rechtstaande ijzer. C.

— = (Breist.) Deel van eene breimachine dat aan den wagen vast is en de naalden doet werken door ze naar omhoog en omlaag te drijven. Het slot bestaat altijd uit drij deelen : een hert en twee zijstukken , ook wijzers genoemd.

— = Moederscheede, van dieren gezeid.

SLUITBOOR (scherpe o), z. nw., vr.. = (Timm.) Gewone boor, vooral dienende om gaten voor stekken te maken.

SLUITSEL, z. nw., o.. = Omslag. D. Ge moet aan dien boek een sluitsel doen, want hij is van buiten te schoon.

SLUNS, z. n \v., m.. = Ouderling, iemand die zich zeiven niet behelpen kan. D. K. homo ignavus. Mijn sluns levert mij veel werk op , zei de vrouw, sprekende van heuren man die doodgewerkt was.

SMEERPAN, SMEERVODDE. z. nw, vr.. Spotnaam , vrouw die geerne smeert, eet. goede sier maakt.

SMETLAT, z. nw., vr.. = (Timm.) Gewone rechte lat langs welke men lijnen trekt.

SMETSCH, bijv. nw. en bijw .= Flets, smakeloos. Z. Smitsch, I. D. S. Cl. K. insulsus.

Bij V. : «(w. g.) lekker, smakelijk. »

SMODDER, z.nw., m.. —Spotnaam, iemand die zeer vet en dik is. Een smodder van 'nen vent.

— '/ Is een smodder van een weer, mistig , vuil weder

SMODDERACHTIG, bijv. nw.. = Slijkerig. vuil. D. S. T. R. 't Is smodderachtig weer.

— = Slap, te malsch. Als 't vlas te veel mest heeft, groeit het dikwijls smodderachtig op.

SMODDERVET, z. nw., o.. = Slap vet, papvet.

SMODDERWE D)ER, z. nw., o.. = Weder, wanneer het stofregent, mist of vuil is. C. T. R.

SMOUTER. z. nw., m.. — In de spr. : Den smouter krijgen, uitgesteld worden voor de absolutie. D.

SMOUTPEER (zware «), z. nw., vr.. = Hevige slag op de kaak. C. S.

SMUISTER, z. nw., m.. — Schimpnaam, die zich gemakkelijk bevuilt bij het eten en anders. Maar, jongen , gij zijt een vuile smuister.

— 't Is een smuister van een weer, wanneer het stofregent of mist. Z. C.

SMUISTERACHTIG, bijv. nw. en bijw.. = Vuilig, slordig. Smuisterachtig eten. 't Is smuisterachtig weer, wanneer het stofregent of mist.

SMUISTEREN, werkw., onov. (hebben). — Morsen, vuil handelen met. C. S. Hij smuistert altijd, wanneer hij pap eet.

SMDLBAAS , z. nw., m.. = Iemand die geerne smult.

SNABBEL, z. nw., m.. = Snavel, smoel, muil. S. levers zijnen snabbel'tusschen slaan.

Z. Snaffel, I.

Bij C. en D. snabber en snebber ; bij T. en R. snebber.

SN AD EN, werkw., overg.. — Komt voor in heti rijmken : dat graai ik, dat snaad ik. Z. Honkeldekonkel.

SNARE(N MAN, z. nw.. m.. = Iemand die door zijne eigenaardige dwaasheden den lachlust opwekt.

SNASSEL, z. nw., m.. = Mond , smoel. C.

— Overal zijnen snassel in slagen, zich met alles bemoeien.

SNASSELBLIKSEM, z. nw., m.. — Spotnaam , iemand die veel snasselt; die overal zoekt om iets naar zijnen tand te vinden.

SNASSELEN, werkw., onov. (hebben). = Veel onrijp fruit eten. C. S.

— = Rondzoeken om iets lekkers te vinden.

SNElDE) z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : Ge hebt een snee in uwe hand, woordenspel, eenen boterham.

— Snede op iets hebben, op iets veel lust hebben. De naaste week gaan wij reizen ; 'k heb er al snede op.

SNEEUW z. nw., m.. — Z. 1.

Spr. : Sneeuw op slik is vorst op 't oogenblik.

SNEUTEL, z. nw., o.. —Z. Sleutel, I.

SNIBBEL. z. nw., m.. - - Snas , smoel, bek. Die vrouw slaagt overal heuren snibbel in.

Bij C. snebbei en snevel.

SNIJMEULEN, z. nw., m.. —Z. Stroomeulen, I. C.

SNIJSTAAK, z. nw., m.. = (Wagenm.) Staak waar het hout tegen rust, als het effengesneden wordt met het snijmes.

SNIK, z. nw., m.. — Z. Wdb..

Spr. : Kik noch snik geven.

SNOF, z. nw., m.. = Nieuwsgierige, moeial. Ook snuf.

SNOSSELEN. werkw., onov. (hebben). — Slordig, onverstandig mengen. Pap en patatten ondereen verwarmen , dat is snosselen.

Sluiten