Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UITSNUITEN, werkw., overg.. — Z. I.

— = Foppen , bedriegen. Past op , of hij zal u uitsnuiten als hij kan.

UITSPINNEN, werkw., overg.. = Behendig, verstandig opstellen, verzinnen. T. R. Die kan wat uitspinnen , als hij begint te schrijven.

UITSTUIKEN , werkw., overg.. = Verspreiden, vertellen , van een valsch of boos gezegde. D. S. Wie mag zoo een valschheid uitgestuikt hebben ?

UITVLEEZEN. werkw., overg.. = (Huidevetter) Met een scherp mes de vleeschdeelen afsnijden. Als de huid eenige dagen in den kalkput gelegen heeft, wordt zij uitgevleesd.

UITVRAGEN, werkw., overg.. = Vragen om uit of weg te mogen gaan. Ik zal mij om tien uren uitvragen.

Bij de kinderen gebezigd.

UITWARMEN, werkw., wederk.. — Z. Uitkolfeer en. S.

UITZETTEN , werkw., overg.. — Z. I.

— (Meul.) Het ijzer uitzetten , den meulen buiten gemeenschap met het staakijzer brengen.

UITZWADDEREN, werkw., overg.. = Uitspoelen, licht uitwasschen. S. Ik ga mijn lijnwaad wat uitzwadderen.

USSEL. WICHTIG, bijw.. — Usselwichtig gewogen, met de unster gewogen.

VAATJE, z. nw., o.. = (Brouw.) Vierde van eene gewone ton.

VADERONS, z. nw., m.. — Z. I.

— Alle vaderonzen, alle vijf voet, alle oogenblikken. Ge staat daar alle vaderonzen om iets te vragen.

VAGEN, werkw., overg.. — Z. I.

— = (Nonspel) Al pinnende met zijne hand eene doode non wegstooten. Vagen is verboden. ,

VALENCIJN, z. nw., m.. = (Kantwerkst.) Witte kant die dient om aan de mutsen te zetten.

— Nen Valencijn maken, een vlecht opmaken, vier bouten vier keeren kruisen.

VAN , voorz.. — Z. I.

— Van breedde (diepte, dikte, hoogde, lengde) zijn, tot de vereischte breedde , enz. gekomen zijn Als de muren zoo hoog zijn als in 't plan beschreven is, zegt de metser : ik ben van hoogde. Wij hebben lang gegraven, eer wij van diepte waren.

VANDAAG, bijw.. — Z. I.

— Vandaag of morgen, heden of morgen, eerlang C. R. Cl

VANDOEN , bijw.. — Z. I.

— Als iemand zegt: ik heb veel geld , dan antwoordt men al schertsende : ja , vandoen.

VANG.-z. nw., vr.. — Z. Wdb..

Spr. : Zijn meulen is deur de vang geloopen, ?ijne zaken loopen verkeerd.

VANGEBALK , z. nw., m.. = (Meul.) Zware balk als hefboom gebruikt, dienende om de vangeplank min of meer te doen persen, volgens dat men den balk laat zakken of rijzen.

VANGEPLANK. z.nw., vr.. = (Meul.) Plank die rond het vangewiel gaat en die men slepen doet, om den meulen stil te leggen.

VANGEVLEGEL, z.nw., m.. = (Meul.) Balk die , als hefboom, medewerkt om de vang op het vangewiel te doen slepen. D.

Bij D. ook vangvlegel.

Ook vlegel.

VANGEWIEL, z. nw., o.. — (Meul.) Groot wiel, gewoonlijk het voorste kamwiel waar de vangeplank op sleept. D.

Bij C. vangwiel.

VANGEZEEL. z. nw., o.. = (Meul.) Zeel dat de mulder omlaag of omhoog laat om zoo, met behulp van den vangebalk, den meulen stil te leggen of los te laten.

Bij. D. vangereep en vangreep.

VANGHAAK, z. nw., m.. = (Meul.) IJzeren haak waar de vangeplank aan vast is. C. D.

VANPAS. z. nw , m.. — Z. I.

— Van tenen vanpas, oogenblikkelijk , zonder wachten. Als ge mij nog eens plaagt, zal ik u van éenen vanpas 'nen schup geven.

VAREN, werkw.. onov. (hebben en zijn). — Z. I,

— Laat varen, laat staan, zeker niet. Ik kan geene uur verlof kr^j-en , laat varen van 'nen dag.

VAST, bijv. nw. en bijw.. — Z. I.

— Vast van zijn stuk, zeker van de zaak. Hij moet vast van zijn stuk zijn, want hij durft wedden veur twintig frank.

VASTEN, werkw., onov. (hebben). — Z. Wdb..

Sluiten