Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VLOEIDEUR, z. nw., vr.. = Deur eener sluis of sas die opent bij opkomende en sluit bij afgaande water.

VLOEIMEERSCH. z. nw., m.. = Weide die soms onder water staat.

Bij S. vloeibeemd en vloeiweide.

VLOERDER. z. nw.. m.. = Kleermaker die hier en daar in de huizen gaat naaien en lappen.

VLOEREN, werkw., onov. [hebben). = In de huizen gaan naaien en lappen. Die kleermaker vloert.

VLOOT (zachte o), z. nw., vr.. = (Brouw.) Groot ondervat waar men den inhoud der kleine ondervaten in giet. D.

VLORING, z. nw., m.. — Z. Vleuring.

VLOT, z. nw , o.. — Z. I.

— = IJ zeren rondeken dat men op eenen schroefbout steekt om beter te doen spannen. D.

VOE D)ERGANG , z. nw., m.. = (Boer) Breede gang in den stal tusschen de koeien en den buitenmuur.

VOEDSEL , z. nw., o.. — Z. Wdb..

— (Boer) Goed in zijn voedsel zijn, goed gemest , van land ; van dier en mensch , tamelijk vet zijn , veel geëten hebben.

— = (Smid en Timmerm.) Steun , bevestiging. Het hout is te dun , ik zal geen voedsel genoeg hebben om het slot goed vast te zetten.

VOEG. ZjJiw., vr.. - Z. Wdb..

— Voeggeven, passen. Een schoone K op zoo een verwarden kop, dat geeft geen voeg'. K. voeghe. decentia.

VOERAGE , z. nw , vr.. — Z. Wdb..

— Wordt ookdoor den kooiman gebruikt om het eten zijner vogels , kempzaad , maïs en tarwe te beteekenen.

VOGEL, z. nw., m.. — Z. I.

Spr. : Ieder vogel ziel zijnen nest liefst, elk bemint meest het zijne. Kweekt dun ui vogels om u de oogen uit te pikken, spreuk van ouders op ondankbare kinderen

VOGELVLUCHT, bijw.. = Rechtdoor, zonder omwegen. Hij liep vogelvlucht naar huis.

VOLHOUDEN , werkw., overg.. — Z. I.

— = Bijhouden. Een booter moet rap zijn om twee repers bij te houden.

VOLUIT, bijv. nw.. = Uitmuntend, al de vereischte hoedanigheden hebbende. Nu hebben wij 'nen voluiten pastoor.

VOOR (zachte o), z. nw., vr.. = Breede, platte visch die goed op den bliek gelijkt.

VOORDEKEN, z. nw., o.. = (Eendenk.) Zak, maal waar de kooiman het eten der vogels in steekt.

VOORSCHOT (zachte o), z. nw., o.. = (Schipp.) Schutsel tusschen den vooronder en het ruim.

VOOS , z. nw., vr.. — Z. I.

Spr. : Trouwen is een schoon liedeken, muur een moeilijke voos om zingen. ,

VORSTWIEL, z. nw., o.. = Kring rond de maan. Als 't in den Winter met de nieuwe maan begint te vriezen en er na eenige dagen een vorstwiel rond de maan is, dan is er straffe vorst op handen.

VOUWLING, z. nw., m.. = (Boer) Bundel stroo kop naar gat bijeengevouwen.

VRANKRIJK , z. nw., o.. = Frankrijk.

Spr. : Het stroo vliegt nuur Vrunkrijk, zeggen de boeren , als er, in April en Mei, een scherpe noorderwind blaast.

VRIES. z. nw., m.. = Vorst. C. K. gelu. O. De vries is daar, wij moeten ons warmer kleeden.

, RIEZEN. werkw., onov. (hebben en zijn). — Z. I.

Spr. : 't Zal eerst nog eens vriezen , dat zal zoo spoedig niet gebeuren.

VROEG, bijv. nw., en bij Z. I.

Spr. : 't Is nog vroeg eer het laat is, wij hebben nog veel tijd.

VROEGERTIJ DE N . bijw.. — Z. Vroegertijd, I.

VROUWKEN . z. nw., o.. — Vriendelijke naam aan kleine meisjes gegeven.

VUIL , bijv. nw. en bijw.. — Z. I.

Spr. : Er uitkomen gelijk een vuil fond boter, van boven blinkend en van onder vuil.

VUIST. z. nw., vr.. — Z. I.

— Uit de vuist eten, uit de hand.

Bij V. : « uit het vuistje. »

VULLING, z. nw., vr.. = Vulsel. V. Ik zou wat vulling moeten hebben veur ons bed.

VULSTUK, z. nw., o.. = (Timm.) Deel van het raam dat op den kruisrichel staat en waar de bovenrichel ingewerkt is.

VUNT. z. nw., vr.. —Z. Vilt, I.

VUNTWIEL, t. nw., o.. = (Bij spinst.) Spinnewiel met vilt. Z. d. W..

Sluiten