Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stukje roggebrood, dat bijzonder lekker rook. Het muisje kroop er in, om te snoepen, maar het deurtje viel toe en de kleine snoepster was gevangen.

Toen het morgen werd, kroop de moeder bedroefd in haar gat; ze had in dien éénen nacht al hare kindertjes verloren.

Op den Akker.

Op een schoonen herfstdag werd een roggekorreltje met vele andere op het land gestrooid. Het verheugde zich in den warmen zonneschijn, doch niet lang, want de egge ging over den akker en overdekte het met aarde, zoodat het in een nauwe, donkere ruimte besloten was.

Het korreltje rekte en strekte zich derhalve, en groeide, en kreeg beneden een worteltje, «d stak zijn kopje boven den grond, en kreeg in korten tijd een heelen bundel kleine blaadjes. Weldra echter scheen de zon niet meer zoo lang en zoo warm als vroeger. Ten laatste viel er veel, heel veel sneeuw om het plantje, dat nu verkleumde van koude en zoo weken lang bleef sluimeren.

Plotseling werd het uit den slaap gewekt. Een hongerig haasje was gekomen, had de sneeuw weggekrabbeld en plukte nu de groene blaadjes van den stengel af. Daar stond oz-a plantje dus naakt en schaamde zich bijna voor zijne buren. Evenwel wist de goede Schepper dat ook wel weer goed te maken. Weldra kwam een zachte dooiwind, de zon scheen warm en het plantje kreeg weer nieuwe bladers. Nu was het monter en opgeruimd en groeide flink door, totdat de aar omhoog stond en de halm steeds langer werd.

Dicht bij het roggeveld stond een akker met tarwe, en daar tegenover groeide gerst met hier en daar een halmpje haver daartusschen. In een nacht, dat de maan helder scheen, werden de tarwe en de rogge, de gerst en de haver wakker en praatten met elkaar. Elk wilde de voornaamste zijn. Nadat zij lang hadden gekibbeld, zei de tarwe ten laatste: „Nu dan, als gij mij niet voor het edelste lid van onze familie houdt, dan mogen de menschen <7 «irover beslissen. Lk vraag maar: voor welk graan betaalt de mensch het meeste geld? Is het niet voor de tarwe?"

Daartegen konden de anderen niets inbrengen. Evenwel ergerden ze zich zoo zeer dat 's morgens hare aren en bladen heelemaal met glinsterende parels, als met tranen, bedekt waren.

»e Lijster en de Vogelbessen.

Eene lijster, zwart als kolen, Zie, daar tusschen 't groen der esschen, Met een sneb zoo geel als goud, Kleurig, frisch en rood als bloed,

Had haar veilig nest verscholen Lokt de . vrucht der vogelbessen Ginder in het dichte hout, Met verleidelijken gloed,

Waar zij ieder, die haar hoorde, En de lijster komt met oogen

Door haar zoet gefluit bekoorde. Vol begeerte toegevlogen.

Maar wee! bij die bessen hangen

0°k de strikken uitgespreid, Om 't onnoozel dier te vangen

Door den vogelaar bereid; — Wee! pas pikt het in de vruchten,' Of de dood is niet te ontvluchten.

Sluiten