Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Vlinder.

Clara zat op een dag met hare moeder op het kerkhof bij het graf van haar kleine zusje Anna. Het hart van de moeder was vol en zij kon hare tranen niet inhouden. Ook Clara schreide. Zij dacht aan. zusje Anna, die nog voor weinig weken zoo rustig als een engeltje thuis in de wieg gelegen en met haar heldere, blauwe oogjes zoo Hef en vriendelijk rondgekeken had. Nu lag het zusje daar al diep in het donkere, koele graf. Toen eindelijk, na lang, stil snikken, droogde het kleine meisje hare oogen af en vroeg:

„Maar zie eens, lieve moeder, daar heeft vader op Anna's steen een gouden kapel laten zetten, — waarom is dat?"

„Dat is, mijn kind, opdat wij niet te bitter om onze lieve Anna schreien zouden, als we op het kerkhof komen," antwoordde de moeder. — „En waarom dan niet, moeder?" vroeg Clara.

„Ge weet wel, Clara," antwoordde de moeder, „dat de vlinder eerst een rups is. Als de rups lang genoeg heeft geleefd, verandert zij in een pop, die roerloos ligt en schijnbaar dood is. Maar uit dat schijnbaar doode lichaam komt in den warmen lentetijd de fraaie vlinder te voorschijn. Waar alle leven ontbrak, is nu nieuw leven in schooneren vorm. Als wij dus hier de kapel zien, wijst zij ons op de hoop, die wij menschen koesteren, dat ook onze dooden tot een beter leven ontwaken zullen. Als gij grooter zijt, zult gij dat beter kunnen begrijpen." » _

De Ganzen.

Op het weüand zaten Stine en Hanne, de beide jongste dochters van den boer ; die hoedden daar de ganzen en praatten met haar van den morgen tot den avond. En luistert maar, wat toen eens zoo'n kleine snaterbek zei. Die zei, en hij had er zelfs een deuntje van gemaakt:

„Wat hebben wij ganzen voor kleeding aan?

Gi, ga, gak! & Wij gaan blootsvoets, 'tzij koud of heet, Poesmooi in 't zachtste dons gekleed, Gi, ga, gak! En hebben geen ander pak.

„Wat drinken wij ganzen voor soort van wjjn? Gi, ga, gak! Wij, drinken den allerbesten wijn, Die ergens kan te krijgen zjjn, Gi, ga, gak! 't Is wyn van Pompienjak.

„Wat eten wij ganzen toch wel voor kost? Gi, ga, gak! Des zomers grazen we op het land, Des winters voert de boer zijn hand, Gi, ga, gak! Ons uit den haverzak."

Sluiten