Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Generaliteit genaamd en dan Een enkle stad die optreedt voor haa-v zelve,

Die in haar wapen de drie kruizen voert En recht heeft op een eigen standplaats hier!

(Geeft haar het papier.)

De Unie. Wij wachten slechts uw wenk om aan te treden!

{Zij verdwijnt door de gordijn.)

Maarschalk. Mevrouw, de stoet is reeds genaderd tot de poort. Amalia. Zoo laat de gasten binnen. {Kanierheer en Maar' schalk af. Tot jonkvrouw van Dordt.)

Lieve Machteld,

Gij die voor Friesland optreedt hebt een taak Die zwaar is, daar gij spreken zult van hem Die ons zoo dierbaar was. De woorden kent ge.

Zorg nu dat gij den Prins met nadruk toespreekt,

Doch met een zekren weemoed in uw stem;

Want weemoed is hij waard die voor ons viel.

J o 11 k v r. v. D o r d t. Aan meegevoel zal 't mij wel niet ontbreken, Want 'k hoor zijn stem nog daaglijks in mijn oor. Thans, nu ik van zijn heldendaad moet spreken En van zijn dood, daar ginds in Brabants streken,

Zegt mij een goede geest de woorden alle voor.

(Jonkvrouw van Dordt af., achter het gordijn. Treden op: Vondel, Hooft, Honthorst, Moreelsc, Sweelinck; zij buigen voor de Prinses.)

A ra a 1 i a. De dichters en de schilders zijn mij welkom ! Nu mijn gemaal terugkeert uit het veld,

Heb ik de pen genoodigd en 't penseel,

Die mijn gemaal in woorden, kleuren, klanken,

Den lof geschonken hebben die hem toekomt.

Hooft, Honthorst, Vondel, Sweelinck en Moreelse, Ik dank u zeer voor uw aanwezigheid.

Ook mij hebt gij bezongen, mijne vrienden;

Ja, ridder Hooft, en wel terecht gezegd:

Sluiten