Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar de uitgang -t is, smelt de -t van 't enclit. et na sync. der e met de voorgaande -t samen : ufent {u/ent + et) 2, 177, 1; stoect (stoect -f et) 2, 177, 1; doedt (doet et) 2, 175, 13.

Syncope van den uitgang -t vóór enclit. -et \ soe cornet (comt + et) 3, 96, 1.

Apocope van -t voor een woord, dat met een medeklinker begint : haer sma.ec bet 3,38, 6; si maec die simie 3, 30, 18.

Assimilatie der -t treft men aan bij inclinatie van -j : gheves (ghevets) 3, 92, 10; blives (blivets) 3, 92, 10; merkes 3, 43, 13; gheefs 3, 92, 3;

alsook bij inclinatie van -se, -si: hihefse 2, 168, 1; heefse 3, 100, 6; heefsy 3, 121, 18; droechse 1, 249, 22; voerde 2, 181, 12; 217, 21; verberse 2, 218, 1; Irecse 2, 219, 19; beweechse 2, 220, 21.

Bij inclinatie van een woord beginnende met een klinker, zou men in den 3" pers. als uitgang een d mogen verwachten (Os. d, d, th). Deze komt evenwel slechts bij zeldzame uitzondering voor: werdet (wert -fel) 3, 96, 2.

Umlaut van stamkl. a onder den invloed der i van den oorspr. uitgang van den 2" en 3° pers., -is, -ït, die in de Ogerm. dialecten voorkwam, wordt ook bij Ruusbr. aangetroffen :

sleet 1, 172, 18; dreghet 1, 16, 7; dreecht 1, 172, 11. Bij veet, ont/eet, aneveel, voor vaet, ontfaet-, aenvaet heeft men (daar de a lang is in fdhan) te doen met een analogievorm van steet, geet. (VH. § 185, opm. 2.) : veet : 1, 224, 20.

Wanneer bij de werkwoorden van de klassen helen, geven, varen met oorspr. korte e en a in den stam, deze e en a der open lettergreep door syncope van de e van den persoonsuitgang in een geslotene kwam te staan, behielden deze klinkers

Sluiten